PDA

View Full Version : Twintig eeuwen historie van de Nederlanden



Stefanus
24th January 2010, 18:15
Dispereert niet. Deel 5
Twintig eeuwen historie van de Nederlanden
A. Algra en H. Algra

Voortrekkers

Neefs.

‘Lauts het as ouer broer saam feesgevier, toe die Voortrekkers hul onafhanklike Republiek begin opbou het: hoogstens as neefs deel die Nederlande in ons Voortrekkers-Eeufees-vreugde vanjaar. Ons het twee aparte volksbegrensinge geword wat nooit meer een kan of wil wees nie.’ Zo schreef Dr. Elizabeth Conradie in het eeuwfeest-nummer van het maandblad Zuid-Afrika. Zij heeft gelijk. Wij moeten thans erkennen, dat Nederlanders en Afrikaners twee volken zijn. De twijg, eens in de 17de eeuw geplant aan de Kaap, is uitgegroeid tot een boom, tegen alle verdrukking in. Hij staat naast de oude boom in de lage landen aan de Noordzee.

Volgens de titel van ons werk zou de historie van onze stamverwanten in Zuid-Afrika dus buiten ons bestek vallen. Maar neefs behoren toch ook tot de familie en daar wij in het vorige deel over de Nederlandse kolonie aan de Kaap hebben gehandeld, wensen wij de verdere lotgevallen van de ‘Boeren’ niet onbesproken te laten.

Onder Engelse vlag.

In 1806 gaf Janssens de Kaapkolonie aan Baird over en bij de teruggave van onze bezittingen in 1814 werd zij evenals Ceylon van die restitutie uitgesloten. Nimmer, zo scheen het, zou de driekleur zich weer ontplooien boven het Compagnieskasteel en het scheen ook een kwestie van tijd, of de bevolking zou evenals in Nieuw-Nederland geheel verengelsen. Doch dit is niet geschied. Het Dietse element heeft zich gehandhaafd en uitgebreid en kan zingen:


‘Uit die chaos van die eeue
Het verrys 'n stoere volk.
Met die durf van pioniere
Word ons nasiestryd vertolk.
Ons sal handhaaf, ons sal opbou,
Ons sal hoog jou vaandel dra.
Ons sal sterk wees in ons liefde
Vir ons volk, Suid-Afrika.’
Ontevredenheid.

Onder de Compagnie waren de kolonisten niet verwend en meermalen heerste er spanning tussen de goeverneur en zijn onderdanen (zie vorige deel). Zelfs werden in 1795 vrije republieken gesticht, die het gezag van Heren XVII niet langer wensten te erkennen. De eerste Engelse occupatie maakte een einde aan deze beweging en toen Nederland in 1803 de kaapkolonie terugkreeg, heeft commissaris De Mist heel wat verbeteringen ingevoerd en het hart van de kolonisten gewonnen. De vreemdeling, die echter na 1806 het heft in handen kreeg, heeft letterlijk niets nagelaten om de oorspronkelijke bevolking te verbitteren. Een lid van het Lagerhuis verklaarde in 1825, dat de bevolking in Zuid-Afrika onderdrukt en onbillijk behandeld werd en veroordeelde het optreden van de goeverneur als hoogst onbevredigend en willekeurig. Deze onverdachte getuigenis van een Brits parlementslid is tekenend voor de toestanden in de nieuwe Engelse kolonie en door de bewoners werd zij als juist gevoeld.

Wij kunnen hier niet uitvoerig op de motieven voor de Grote Trek ingaan, maar willen toch enkele grieven opnoemen. Daar was in de eerste plaats de laster, waarmee de Boeren werden vervolgd. En niemand heeft in dit opzicht meer schuld dan de Engelse zendeling met zijn bewonderaars, de negrofilen. De Boeren zouden hun bedienden, de kleurlingen, op onmenselijke wijze behandelen. De Hottentotten werden als beesten beschouwd en in de conflicten tussen Boer en Kaffer kreeg de laatstgenoemde steeds de schuld. In Londen werden deze verdichtselen gaarne voor waar aangenomen en reeds in 1812 werd op grote schaal een onderzoek ingesteld naar de ‘barbaarsheden’. Het is de ‘Zwarte Ommegang’ geworden, die vier maanden geduurd heeft. Meer dan 50 zaken werden behandeld, aanklachten tegen de Boeren wegens moord, mishandeling, onderdrukking en andere vergrijpen tegenover de ‘natuurkinderen’ gepleegd. Het resultaat was, dat de schande neerkwam op het hoofd van de lasteraars. Geen enkele moord werd geconstateerd, allerlei andere zaken bleken voor het overgrote deel leu-

gens en slechts enkele hardhandigheden werden met een geldboete gestraft. Maar het gif werkte door en het Londens Genootschap bleef ageren tegen de ‘blanke barbaren’ en zelfs in Nederland werden de beschuldigingen voor waar aangenomen. En dat, terwijl de Engelse goeverneur, Lord Somerset, eerlijk erkende: Geen deel der samenleving verkeert in een betere situatie en is misschien gelukkiger dan de huisslaven in Zuid-Afrika.

Die slavernij moest verdwijnen. De Boeren verzetten zich daar niet tegen. Het is onjuist, dat zij zijn gaan trekken om de slavernij in stand te houden. In het manifest van de leider Retief wordt uitdrukkelijk vastgesteld, dat ‘niemand in 'n toestand van slawerny gehou word nie’. Alleen, de Boeren klaagden over de ontactische wijze van afschaffing, die niet geleidelijk maar ineens plaats had, waardoor velen in grote ongelegenheid kwamen en het aantal leeglopers en rovers ten zeerste toenam. Dan was daar de kwestie van de schadevergoeding. Londen had beloofd, dat de eigenaars een behoorlijke schadeloosstelling zouden ontvangen. Deze bleek veel te laag en werd in Engeland uitbetaald, waardoor de Boeren hun bewijzen met een hoog disconto aan handelsagenten moesten verkopen. Niet meer dan een vijfde van de waarde werd op die wijze aan de eigenaars uitbetaald. Sarel Cilliers, wiens slaven op 2.888 rijksdaalders waren geschat, ontving 500 rijksdaalders. Tal van Boeren werden door deze maatregel geruïneerd.

De gelijkstelling tussen Hottentotten en blanken was theoretisch te verdedigen, maar de ijveraars daarvoor in Engeland waren onbekend met de toestanden in Zuid-Afrika, waar leiding van de naturellen nog noodzakelijk bleef. De gelijkstelling was bovendien in de praktijk een bevoordelen van de inboorlingen boven de Boeren, vooral door invloed van de zendelingen. Zo werd de landloperswet alleen toegepast op het blanke element van de bevolking! Ambtenaren die het onrechtmatige en gevaarlijke van verschillende ordonnanties inzagen, kregen tegenover Dr. Philip en zijn aanhangers in Londen steeds ongelijk.

Het Kaffervraagstuk dateerde reeds uit de vorige eeuw en gaf toen al aanleiding tot meningsverschillen tussen de drost van Graaff-Reinet en de bewoners van zijn district. Tijdens het Engelse bewind werd de toestand in de grensstreken steeds ernstiger. Duizenden stuks vee werden geroofd en tal van Boeren door de roverstammen, die de Visriviergrens niet eerbiedigden, vermoord. De Boerencommando's, het instituut van zelfverweer, waren op hoog bevel ontbonden. Wel werd een strafexpeditie gehouden maar het resultaat daarvan werd door Londen weer ongedaan gemaakt.

De Nederlandse taal werd afgeschaft. Sedert 1 januari 1828 bediende de justitie zich uitsluitend van het Engels en werden stukken, niet in deze taal gesteld, door het bestuur geweigerd.

Het Engelse muntstelsel verving het Kaapse, maar de inwisseling werd zodanig geregeld, dat dit weer voor de Boer een aanmerkelijk verlies betekende. De oude rechtsinstellingen, burgerraden en heemraden, werden afgeschaft, het verzoek om een wetgevende vergadering, een volksvertegenwoordiging, in 1830 door het Britse parlement verworpen.
Slachtersnek.

Er zouden meer grieven zijn te noemen. Geen feit heeft misschien de stemming bitterder gemaakt dan de terechtstelling van SIachtersnek. Frederik Bezuidenhout, een boer uit het district Graaff-Reinet, had een Hottentot een pak slaag gegeven en was deswege tot een maand hechtenis veroordeeld. Bij zijn arrestatie pleegde hij verzet en werd doodgeschoten. Bij zijn graf hield zijn broer Johannes een hartstochtelijke toespraak en verscheidene Boeren zwoeren de dood van Frederik Bezuidenhout te zullen wreken. De opstand mislukte, de meeste Boeren waren het ook lang niet eens met het optreden van de heethoofden. De leider sneuvelde en de overigen gaven zich over. Vijf hunner werden ter dood veroordeeld. Op de plaats, waar zij hun eed hadden gezworen, zouden ze worden opgehangen. De overige schuldigen moesten getuige zijn van de dood van hun makkers.

De galg brak en de veroordeelden smeekten om genade, daarin ondersteund door de omstanders, vrienden en verwanten. Het baatte niet: opnieuw werden de slachtoffers gehangen, nu één voor één ...

De regering liet hier een gelegenheid passeren om de sympathie der Boeren te winnen. ‘Het was geen misdaad, het was erger, het was een fout.’

Slachtersnek werd voor het opgroeiend geslacht het symbool van tirannie en bij de kampvuren op de Grote Trek verhaalden de ouderen van de meedogenloosheid van het Engelse bestuur. Er waren velen, ‘die Slachtersnek verlieten met een wonde in de ziel, die bij zichzelf een eed zwoeren: Wij zullen Slachtersnek nooit vergeten!’

Geen uitschot.

De opmerking is gemaakt, dat de Trekkers hun land verlieten, omdat zij geen bestaan meer hadden. Er zullen onder hen geweest zijn, die niets meer hadden te verliezen. Maar de meesten waren gegoede landbouwers en veehouders. Sommigen waren zelfs rijk. Van ‘ou ryk Joseph van Dyk is beweer, dat hy £ 10.000 aan goud (ƒ 120.000) by hom gehad het, terwyl ene Roberts, wat saam met Retief vermoor is, seker 'n duisend goue ponde in sy wa gehad het. Ook ander Voortrekkers was volgens die begrippe van hul tyd welaf, hoewel die meeste se rykdom hoofsaaklik uit goed en vee bestaan het.’

Bij 113 gezinnen, zo deelt Dr. Van der Merwe verder mee, werden 102.600 stuks kleinvee, 6900 beesten (runderen) en 1000 paarden aangetroffen!

En om de bewering geheel te weerleggen, dat de uitgewekenen maatschappelijk berooiden waren, is daar het getuigenis van de toenmalige Engelse goeverneur, die de Trekkers bestempelde als een dapper, geduldig, vlijtig, ordelijk en godsdienstig volk, de verdedigers en de belastingbetalers van het land, de keur der grensboeren!

Daar zijn nog wel andere motieven te noemen: de zucht naar avontuur, de vrijheidsdrift, sprinkhanenplaag en droogte, maar die werden ook gevonden bij de Trekboeren, die van de Voortrekkers zijn te onderscheiden. De eersten wilden ook over de Oranjerivier, maar hadden niet het doel, zich aan het Engelse gezag te onttrekken. Integendeel, velen hunner legden er de nadruk op dat het hun bedoeling niet was om Harer Majesteits bescherming te verliezen.
Het manifest.

De Voortrekker wilde vrijheid; daarvoor verliet hij zijn bezittingen, die vaak voor een appel en een ei overgingen in handen van opkopers. Terwijl de meeste leiders uittrokken zonder zich in het openbaar te verantwoorden, vaardigde Piet Retief een manifest uit, waarin hij onder meer zei:


‘Ons verklaar plegtig dat ons hierdie Kolonie verlaat met die begeerte, om 'n rustiger lewe te lei as wat ons tot hiertoe gedoen het. Ons sal geen volk molesteer nie en aan niemand die geringste eiendom ontneem nie; maar as ons aangeval word, sal ons ons ten volle geregverdig beskou om ons persoon en eiendom tot die uiterste te verdedig teen enige vyand. Ons verlaat die Kolonie onder die volledige versekering, dat die Engelse Regering niks meer van ons te vorder het nie en ons sonder verdere bemoeiing sal toelaat om ons in die toekoms self te bestuur.

Ons vertrek nou uit ons vrugbare geboorteland, waar ons enorme skade gely het en voortdurend blootgestaan het aan ergernis, om ons te gaan vestig in 'n woeste en gevaarlike gebied; maar ons gaan met 'n vaste vertrouwe op 'n alsiend regverdige en genadige God, wat ons altoos sal vrees en in alle nederigheid zal probeer gehoorsaam.’

Er is geen sprake van, dat de Voortrekker orde en recht ontvluchtte, hij had een afkeer van wetteloosheid, zijn ideaal was een vrije staat, waar rust en orde, een geregeld en veilig bestaan mogelijk waren en in de Kaapkolonie ontbraken deze noodzakelijke elementen in die dagen.

In het vorige deel merkten we reeds op naar aanleiding van de dissertatie van Dr. v.d. Merwe, dat het Oude Testament de Boeren tot een richtsnoer was. De aartsvaders waren ook trekkers. ‘Laat hulle ook trek, soos Abram, Isak en Jacob getrek het voor hulle’, zo sprak Kruger Sr. ‘Is daar geweldige hindernisse, vreeslike gevare in die weg? Hulle moet trek. Die God van Abram, Isak en Jacob is ook hùlle God. Hy sal voorsien.’

De uittocht.

Commissies werden uitgezonden, om ‘het beloofde land te verspieden’ en keerden met goede tijding terug (1835). Toen werden de voorbereidselen gemaakt, de bezittingen verkocht, de wagens opgeladen, het tuig nagezien, het vee bijeengedreven.

De laatste maaltijd in het vrijwel reeds lege woonvertrek genuttigd, zwijgend. Dan neemt de huisvader de oude Statenbijbel en leest langzaam en met nadruk de 121ste psalm.

‘Daar word gekniel. En nou ontlas die beswaarde gemoed hom in geloofstaal, wat al sterker en sterker tot uiting kom. Die vertwyfelende siel vind troos en krag in hierdie ontboeseming. Die huisgenote ondervind daarvan die seënde werking. Na die kragtige “Amen” sit die moeder in, by die tweede noot, waarvan al die huisgenote hertlik inval en saamsing:


Ik weet, aan wien ik mij vertrouwe,
Al wisselen ook dag en nacht;
Ik ken de rots, waarop ik bouwe,
Hij feilt niet, die uw heil verwacht.

As die rooidag dof opglans aan die oosterhemel word ingespan. Gou staan albei spanne klaar voor die waens. By die gedempte woord “Vat!” kom die swaar waens krakend en kreunend in beweging. Die tentklap word effens opsy gedruk, en in die donker vors 'n paar betraande oë soekend na die onbestemde omtrekke van die woonhuis. Dan word 'n snik in die kopkussing gesmoor... Die trek het begin.’ (Prof. Pienaar)

Verschillende groepen.

Er waren afspraken gemaakt, een ontmoetingspunt was zelfs genoemd, maar de Voortrekkers vormden niet één grote heirschaar. Zij gingen in groepen onder eigen leiders en op verschillende tijden. Zo is er sprake van de tocht van Trichardt en Van Rensburg, de groep van Potgieter, de mensen van Uys, de trek van Retief en de volgelingen van Pretorius. Dikwijls bestond zulk een ‘clan’ uit een aantal gezinnen of families, die aan elkaar verwant waren. Dit gaf saamhorigheid, maar was ook oorzaak, dat het meermalen veel moeite gaf, om één grote samenleving te vormen. Onderlinge verdeeldheid tussen de Voortrekkers heeft hun positie soms ernstig verzwakt.

Een ilias van lijden.

Van Rensburg en Trichardt vertrokken het eerst. Laatstgenoemde heeft een dagboek aangehouden, dat ons deze trek beschrijft, die met zo nameloos veel lijden gepaard is gegaan. Zij trokken over de Oranjerivier, dwars door de tegenwoordige Vrijstaat en Transvaal tot Zoutpansberg. Daar scheidden zij. Van Rensburgs vee werd door de tsetsevlieg vernietigd en hij zelf met al zijn volgelingen door de Kaffers vermoord. Eerst kort geleden is de plaats ontdekt, waar dit tragisch einde plaats had.

Trichardt bereikte na tal van zwarigheden, onophoudelijk door koortsen bedreigd, Lourenço Marques, de Portugese havenstad aan de Delagoa-baai. Daar bezwijkt de een na de ander aan de malaria, ook Trichardt zelf. Slechts 25 vrouwen en kinderen bereiken tenslotte Natal, waar intussen andere Boerenfamilies zijn gearriveerd.

Carolus Trichardt was door zijn vader naar het Noorden gezonden, om de oostkust van Afrika te verkennen. Toen hij in 1840 weer te Lourenço Marques arriveerde, vond hij er niets dan graven...


‘My vader 's dood; my land is ver;
My moeder 's van my weggeskeur;
'n Weeskind is ek nou...’
De strijd met Silkaat.

Potgieter en Cilliers waren de volgenden, die de kolonie verlieten. In het Noorden van de tegenwoordige Vrijstaat kochten zij grond van inboorlingen. Bij deze groep was ook ‘'n jong seun, met donkere oë en rats bene, die het geluister, wanneer die vrome Godsman, Sarel Cilliers, sterk in die onvervalste leer van Geus en Hugenoot, sy reisgenote oproep, hulle hoofde voor die Almagtige te buig. Die seun se naam was Paul Kruger...’ (Prof. Gie)

Terwijl de volgelingen van Potgieter zich over de nieuwe bezitting verspreidden, ging de leider zelf op verkenning, nog verder naar het Noorden. Dat gebied was haast ontvolkt door de benden van Silkaat of Moslekase. Deze was vroeger kapitein van Tsjaka, de grote Zoeloekoning, geweest, maar was later op eigen naam ‘zaken gaan drijven’, die daarin bestonden, dat de zwakke stammen in de landen langs de Vaalrivier werden uitgeroeid en hun vee meegevoerd.

Tijdens de afwezigheid van Potgieter vielen de benden van Silkaat de Boeren aan, die zich tussen Vaal en Vetrivier hadden gevestigd. De goedgedrilde Matabelen moordden verschillende groepjes uit. Slechts enkelen wisten te ontkomen om de overige Trekkers te waarschuwen. Dezen trokken terug en vormden van hun wagens lagers, om de vijand af te wachten. Hun voorzorgen waren niet tevergeefs. Na enige tijd kwamen de Matabelen opnieuw opdagen en overvielen met 3000 man het leger van Sarel Cilliers, dat slechts veertig man telde. Maar zij riepen de Naam des Heren aan en streden als een Gideonsbende. Na een half uur vluchtten de benden met achterlating van 400 doden, terwijl de verdedigers twee man hadden verloren. Maar hun vee waren ze kwijt. Dat hadden de Matabelen weggevoerd.

De Boeren besloten met Silkaat af te rekenen. Tweemaal werd een expeditie uitgerust. De eerste maal werd Mosega veroverd en 8000 beesten vielen daarbij in handen van de veroveraars. De tweede keer werd in een negendaagse veldtocht door enkele honderden Boeren de strijd aangebonden met 12.000 man van de keurtroepen van Silkaat. Zij werden vernietigd en Silkaat zelf vluchtte met het overschot van zijn benden de Kalahari in. Het Noorden van de Vrijstaat en het grootste deel van Transvaal was door deze slag aan de Marico het eigendom van de Boeren geworden. De restanten van de vroegere bevolking uitten hun blijdschap over de verlossing van de tiran en schikten zich graag onder de leiding van de ‘Potgietermense’.

Naar Natal.

Intussen vermeerderde het aantal emigranten gedurig. In 1837 verscheen Piet Retief met honderden volgelingen in het gebied over de Oranjerivier. Hij was een man van grote bekwaamheden, een geboren leider. Op 17 april werd een grote vergadering gehouden van de Voortrekkers en daar werd Retief tot goeverneur gekozen. Ook Maritz kreeg een post, maar Potgieter werd niet genoemd. (In een vroegere vergadering waren Potgieter en Maritz gekozen.) Diens aanhangers hielden zich afzijdig, een gevolg van verschil van mening over de richting van de Trek, terwijl ook kerkelijke wrijvingspunten schijnen meegewerkt te hebben aan het uiteengaan van de Trekkers. Op de genoemde volksvergadering werd de eerste constitutie, die uit 9 artikelen bestond, aangenomen. Wel een bewijs, dat het er de Trekkers niet om begonnen was buiten wet en orde te leven.

Potgieter wenste na zijn succes tegen Silkaat zich te vestigen in Transvaal. Retief wilde naar Natal gaan. Daar was een zeehaven te verkrijgen, iets wat Retief noodzakelijk achtte voor de nieuwe maatschappij. Natal was bovendien een land ‘overvloeiende van melk en honing’.

Zo trok Retief met een aantal volgelingen over de Drakensbergen en knoopte onderhandelingen aan met de Zoeloe-koning Dingaan.

Dingaan.

Wij noemden reeds Tsjaka, de vroegere meester van Silkaat. Hij had zijn legers tot een geduchte macht georganiseerd; 50.000 man volgden hem op zijn rooftochten. Tientallen Kafferstammen werden ingelijfd of uitgeroeid. Bij de dood van zijn moeder liet hij 7000 mensen slachten, om haar een waardig gevolg mee te geven naar de geestenwereld. In 1828 werd dit beestmens door zijn halfbroer Dingaan vermoord, die hem opvolgde. Hij zette het bloedige werk van zijn voorganger voort. Hij was echter daarbij achterdochtig en lafhartig. Met hem nu kwam Retief in aanraking en verzocht om grond in Natal te mogen kopen. De ontvangst was niet onwelwillend en Retief meende, dat hij een vestiging wagen kon. Met blijdschap werd zijn boodschap over de Drakensbergen ontvangen en honderden ossewagens hotsten over de passen en verschenen in het vruchtbare Natal. Het scheen, alsof alle Trekkers zich weer zouden verenigen. ‘Ebenhaëzer’, tot hiertoe heeft de Here ons geholpen, daarover preekte Ds. Erasmus Smit op de dankdag. Maar er was ook een der Boeren, die wees op de boomrijke zomen van het nieuwe land en zei: ‘Wee het land, hetwelk schaduwachtig is aan zijn frontieren.’

Het verraad.

Weer begaf Retief zich naar Umgungundlovu, de residentie van Dingaan, nu om het definitieve contract af te sluiten. Een 70 man volgden hem en de 3de februari 1838 reed hij aan het hoofd van zijn commando de ‘hoofdstad’ binnen. Weer scheen de koning zeer welwillend en het contract werd door beide partijen getekend. Alleen de afscheidsvisite moest nog plaats hebben. Welgemoed verschenen de Boeren de 6de februari daartoe voor de koning. De gasten namen plaats in de kring van soldaten, die ter hunner ere krijgsdansen uitvoerden. Retief zat in de nabijheid van Dingaan. Plotseling stond deze op en schreeuwde: ‘Slaat de tovenaars dood!’

De aanval op de weerlozen begint. Hun geweren hebben ze moeten afleggen en de slachting vangt aan. Retief wordt vastgehouden om de moord op zijn vrienden, zijn eigen zoon en zijn stiefkind te aanschouwen. Dan wordt ook hij neergeknuppeld. Zeventig lijken op de heuvel bij Umgungundlovu.

En de honderden emigranten aan de voet van de Drakensbergen zijn onbezorgd. Zij zien met verlangen uit naar de komst van hun leider, die het definitieve traktaat zal meenemen.

Dezelfde 6de februari verlieten in alle stilte enige Zoeloeregimenten de hoofdstad. Enkele dagen later overvielen zij de Boerenlagers langs de Blauwkransrivier en Boesmansrivier, die bijna geheel werden uitgemoord: 41 mannen, 56 vrouwen, 185 kinderen en een paar honderd bedienden werden in die vreselijke nacht van 16 op 17 februari afgeslacht. Was het wonder, dat de Boeren het dorp, dat daar later verrees, Weenen noemden?

Gelukkig konden enkelen ontkomen om de andere lagers te waarschuwen, die een aanval wisten af te slaan en zelfs de vijand te achtervolgen. Maar de hoofdmacht bereikte veilig de overkant van de Tugela met een buit van 25.000 stuks vee.

De toestand van de Boeren was allesbehalve rooskleurig. Hun leider Retief dood, zijn opvolger Maritz volgde hem weldra. Een poging van Potgieter en Uys, om de vijand in zijn eigen land te verslaan, mislukte. Ze werden in een hinderlaag gelokt en Uys sneuvelde. Potgieter keerde naar Transvaal terug. Natal had bij hem afgedaan. Hij was er nooit enthousiast voor geweest. De overgeblevenen overwogen om ook het land van verraad te verlaten, maar de vrouwen weigerden, als hun mannen ongewroken zouden blijven liggen op de moordheuvel bij Umgungundlovu.
Dingaansdag.

Maar wie zou de leider zijn? Potgieter was vertrokken. Retief, Maritz en Uys waren gestorven. In hun grote nood (Dingaan bereidde een nieuwe aanval voor) smeekten de Boeren Andries Pretorius uit het district Graaff-Reinet, om hun leider te worden. Pretorius heeft aan die roepstem gehoor gegeven. Hij verkocht zijn prachtige boerderij en voegde zich bij de in het nauw gebrachte emigranten in Natal. Groot was de vreugde, toen hij de 22ste november 1838 arriveerde. Hij besloot dadelijk offensief op te treden en vormde een commando van 464 man, om de vijand tegemoet te trekken. De Voortrekkers grepen moed, zij waren geen schapen zonder herder meer.

Maar Pretorius besefte ook, wat er van dit optreden afhing. Faalde zijn pogen, dan betekende dit de ondergang van de Boeren in Natal. Hij wist, evenals Willem van Oranje, dat er één machtige Bondgenoot was, die hem kon bijstaan.

Enkele dagen voordat de beslissende slag geleverd werd, riep hij zijn officieren bij zich en deelde hun mee, dat een zaak zonder God begonnen, verijdeld zou worden. Daarom moest elke morgen en elke avond een bidstond worden gehouden, om ‘alle diensten en verrichtingen aan God op te dragen’.

De 9de december, een zondag, werd een gelofte gedaan. Sarel Cilliers ging voor in de godsdienstoefening en ontroerend was het psalmgezang van de ‘veldgemeente’:


Zie mij, Heer! wien elk moet duchten,
Tot U vluchten.
O mijn God! verlaat mij niet;
Blijf niet wegens mijn gebreken,
Ver geweken;
Toon, dat Gij mijn rampen ziet.

Zij, die mijnen dood bejagen,
Leggen lagen,
Dreigen mij den laatsten slag;
Spreken, hoe mij 't best te krenken,
En bedenken
Mijn verderf, den gansen dag. (Psalm 38)

En toen hebben die mannen de Here een gelofte gedaan, ‘om zoo de Heere ons de overwinning geven mogt, een huis tot Zijns Grooten Naams gedachtenis te stichten, alwaar Hem zal behagen’.

En verder, dat ‘wij den dag der overwinning in een boek zullen aanteekenen, om dezelve bekend te maken zelfs aan onze nageslachten, opdat hij ter eere van God gevierd mag worden’.

‘Als een Sabbathdag’, zo voegde Cilliers er aan toe...

En intussen rukten de duizenden krijgers van Dingaan op om het legertje Boeren te vernietigen. Bij Bloemrivier sloeg Pretorius zijn lager op. Hij koos een gunstige positie. Aan de ene kant liep de rivier met steile oevers, aan de andere een gracht. De wagens stonden in een kring, stevig aan elkaar verbonden. Twee kleine kanonnetjes op de wallen!

De 16de december begon 's morgens vroeg de aanval. Meer dan 10.000 Zoeloes, de keur van Dingaans regimenten, begonnen de bestorming. Zij werden afgeslagen, maar keerden terug, nog eens en nog eens. Toen werd de poort van de wagenburcht geopend en daar stormden een paar honderd Boeren te paard naar buiten. ‘Die aarde dreun onder die pote van die perde, en dit blijk al dadelik, dat die Soeloes nie voor die naderende stormwolk met sy gedonder en dodelike blitsvuur bestand is nie. Hulle spat uitmekaar en gaan op die vlug, en toe die oorwinnaars drie uur later op vermoeide perde en met leë kruithorings die agtervolging staak en na die laër terugkeer, was die fleur van Dingaan se strydmag in duisend afgemaai, of met skrik bevange oor die heuvels versprei. Veral rondom die laer het Soeloelyke die aarde bedek, en Soeloebloed het aan die rivier sy naam gegee (Bloemrivier werd Bloedrivier). Aan Boerekant daarenteen - en dit het die uitslag nog meer bonatuurlik laat lyk - is geen verliese gely nie ...’

Enkele dagen later werd Umgungundlovu bereikt. De hoofdstad was verlaten. Op de moordheuvel vonden de overwinnaars de overblijfselen van Retief en zijn volgelingen. Op het geraamte van Retief werd een leren zakje gevonden, waarin het contract, getekend door Dingaan....

De wrede Zoeloekoning kreeg geen rust meer. Hij werd al maar vervolgd, vluchtte in 1840 na een tweede nederlaag naar een naburige stam, waar hij zijn loopbaan eindigde ‘onder de assegaaisteken der Swasies’.

Natal was voor de Boeren. Met Panda, een broer van Dingaan, sloten zij een verbond. Hij erkende het oppergezag van de emigranten-maatschappij. De staat werd geïnstitueerd en het ideaal van Retief scheen, al was het langs andere weg, toch bereikt.

Dingaansdag wordt tot op de huidige dag gevierd en in de hoofdstad van de nieuwe republiek, Pietermaritzburg, verrees het geloftekerkje, thans het Voortrekkersmuseum.

Geen rust.

Maar er verschenen kapers op de kust. Engeland zag met lede ogen de vestiging van de nieuwe republiek aan de oostkust van Zuid-Afrika. Pretorius onderhandelde met de goeverneur aan de Kaap over de erkenning van de nieuwe staat. Maar de Engelse koopman en de Engelse zendeling waren het er over eens, dat Natal moest worden geannexeerd. De 2de december 1841 verscheen de proclamatie, dat Port Natal bezet zou worden en de Engelse regering de onafhankelijkheid der emigranten nimmer zou erkennen. Het bleef niet bij een verklaring. Het volgende jaar verscheen kapitein Smith met 260 man bij Durban en sloeg er zijn kamp op. De Boeren eisten, dat hij zou heengaan en toen hij weigerde, vielen zij hem aan. Toen hij zozeer in het nauw gebracht was, dat de overgave een kwestie van dagen scheen, voer de ‘Southampton’ de haven binnen en wist Smith uit zijn benarde positie te redden. De Boeren trokken af. De annexatie werd doorgezet. Aan verder verzet werd niet gedacht. Verscheidene Boeren, die naderhand alleen om economische redenen Natal waren binnengekomen, waren voor de capitulatie en onder hun invloed aanvaardde de volksraad de onderwerping. Velen van de Voortrekkers wilden echter hun grond, die ze gekocht hadden en ook nog met hun wapenen hadden veroverd, liever verlaten dan weer onder Engelse vlag te leven. Vrouwen vergaderden met de commissaris Cloete en een van haar, mevrouw Kruger, verklaarde:

‘Al die mooi beloftes wat hier deur u gedaan is, smaak ons soos alsem in die mond. Ons het goed en bloed gegee om onder die gehate Britse vlag uit te kom, en al moet ons ook kaalvoet oor Drakensberg loop, sal ons nie onder die vlag berus.’

En zo spanden de Voortrekkers hun ossen weer voor de wagen en zochten hun broeders ten Westen van de Drakensbergen op. Pretorius was een der laatsten. Hij deed nog een poging met de Kaapse goeverneur een regeling te treffen, maar werd niet eens ontvangen. Potgieter had juist gezien. Hij had zich ten Noorden van de Vaal gevestigd. Hoe verder van de Engelsen af, hoe beter. En alweer kreeg hij gelijk, want in 1848 werd ook het gebied tussen de Oranjerivier en de Vaal, het gebied van de Oranje-Vrijstaat, door goeverneur Harry Smith geannexeerd. Een poging van Pretorius om de Engelsen te verdrijven, eindigde met de nederlaag bij Boomplaats. Pretorius moest over de Vaal vluchten.
De vrije republieken.

Maar veel plezier beleefde Harry Smith niet van zijn nieuwe aanwinst. Een nederlaag tegen de Basoeto's kostte hem zijn prestige, de Engelse regering werd afkerig van de ‘dure’ annexaties, de Krimoorlog dreigde. Zo kon het gebeuren, dat eerst de Boeren ten Noorden van de Vaal als onafhankelijk werden erkend (verdrag van Zandrivier 1852) en twee jaar later te Bloemfontein de Vrijstaat.

Het doel was toch eindelijk bereikt! Maar de Voortrekkers bleven gescheiden. De Vrijstaat werd een afzonderlijke republiek en alle pogingen om één Boerenstaat te stichten zijn op niets uitgelopen, ook door tegenwerking van Engeland. Zo beschouwde de Engelse goeverneur te Kaapstad het als strijdig met de conventies van Zandrivier en Bloemfontein, toen Marthinus Wessel Pretorius in beide republieken tot president werd gekozen. Ten Noorden van de Vaal was aanvankelijk zelfs geen eenheid. Er is meer dan één republiek geweest: Lijdenburg, Utrecht, Zoutpansberg en de Zuid-Afrikaanse republiek. Veten waren er: de Potgieter-mensen en de aanhangers van Pretorius konden elkaar niet verdragen. Eens scheen het burgeroorlog te worden. Een samenspreking werd gehouden om deze te voorkomen en tot grote opluchting van beide partijen reikten de beide Voortrekkers elkaar boven de opengeslagen Bijbel de broederhand. Er waren kerkelijke geschillen. Pretorius wenste een zelfstandige kerk, los van de Kaapkolonie. Ds. Van der Hoff, door de bemoeiingen van Lauts (zie noot blz. 362) overgekomen, stichtte de Nederduits Hervormde Kerk. Andere emigranten bleven echter trouw aan de Nederduits Gereformeerde Kerk, de oude kerk uit de dagen van de Compagnie, waarvan de synode in Kaapstad zetelde. In 1857 arriveerde Ds. Postma uit Nederland, uitgezonden door de Chr. Afgescheiden Kerk. Om hem verzamelden zich de Doppers, de streng-gereformeerden, die zich vooral kantten tegen het gebruik van de evangelische gezangen. Zij vormden de Gereformeerde Kerk van Zuid-Afrika. Paul Kruger was een van de eerste veertien leden van deze kerk, die zich snel uitbreidde. Tot op de huidige dag zijn de drie formaties gebleven. Pogingen om de eenheid te herstellen hebben geen duurzaam resultaat gehad.

Pretorius en Potgieter overleden beiden in 1853, maar de tegenstellingen bleven ook na hun dood. Hun zonen Marthinus Wessel Pretorius en Pieter Potgieter werden de leiders, doch reeds het volgende jaar sneuvelde de laatste. Daardoor kwam Pretorius sterker te staan en na tal van strubbelingen gelukte het in 1858 een grondwet op te stellen en in 1860 verenigden alle voormalige republieken ten Noorden van de Vaalrivier zich onder de naam Zuid-Afrikaanse Republiek, die Pretoria tot hoofdstad kreeg. De eerste president was Pretorius.

Staatsinrichting.

Bij de Volksraad berustte de hoogste autoriteit. Hij had de wetgevende macht. De president met een uitvoerende raad bezaten de uitvoerende macht, de rechterlijke macht was in handen van landdrosten en gezworenen. Voor de defensie waren de burgers verdeeld in veldkornetschappen met aan het hoofd een commandant, gekozen door de burgers die in staat waren de wapenen te dragen. Aan het hoofd van het leger stond de commandant-generaal, evenals de president door de burgers gekozen. De vlag van de Z.A. Republiek werd de Nederlandse met een groene baan langs de stok, ‘die vierkleur van Transvaal’.

Veel hadden de Boeren te danken aan de staatkundige maatregelen van De Mist (zie deel IV, blz. 274), maar nog meer grondden zij zich op de Bijbel. Daar leefden ze bij, die was met zijn commentaren vaak hun enige lectuur. De rechters moesten zijn mannen, ‘die niet alleen Mozes' wetten kennen, maar die deze wetten en het Evangelie dagelijks met een kostelijke aandacht beproeven en onderzoeken’.

Dr. Wypkema zegt: ‘De Boeren hielden er niet van gebonden te zijn door machten, die hun gezag niet aan Gods Woord ontleenden. Dit moet vooral toegeschreven worden aan het Calvinisme, dat in Zuid-Afrika veel meer dan een kerkleer, ja, inderdaad een allesomvattende levensleer was. Voor het Voortrekkersvolk was het ganse leven, in al zijn vertakkingen, zonder enige uitzondering, godsdienst. Voor hen was tenslotte alles bestemd tot verheerlijking van God, de Schepper...’

En om hun staatsopvatting tenslotte nog eens te karakteriseren, wijzen wij op een besluit van de volksvergadering: ‘Aangaande de wetten, waarnaar wij geregeerd moeten worden, zal geïnformeerd worden naar de soevereine regel van Gods Woord, die regel van ons leven is, en waarin wij nimmermeer dwalen kunnen.’

De twee republieken waren gesticht. De tijd van de Voortrekkers was ten einde. De periode van verdediging van het verkregene breekt aan.

Stefanus
24th January 2010, 18:29
Voor vrijheid en recht

De diamantmijnen.

De conventies van Zandrivier en Bloemfontein waarborgden de onafhankelijkheid van de beide republieken. Engeland zou geen connecties aanknopen met de inboorlingenstammen ten Noorden van de Vaalrivier, terwijl de Boeren beloofden - geheel onnodig - dat ze geen slavernij zouden tolereren. Maar toen de Britse regering deze verdragen afsloot, wist zij niet, dat de bodem van de nieuwe staten goud en diamant bevatte; toen dat eenmaal bekend was, heeft Engeland niet geaarzeld zijn gegeven woord te schenden. Hoffman, Boshoff en Pretorius waren de eerste drie presidenten van de Vrijstaat, die van Koning Willem III zijn vlag en wapen ontving. Naar diens huis - niet naar de Oranjerivier, zoals de staatssecretaris, een vroegere onderwijzer uit Amersfoort verklaarde - was de Oranje-Vrijstaat genoemd. Pretorius was tegelijkertijd president van de republiek ten Noorden van de Vaal, maar we merkten reeds op, dat dit niet strookte met de wensen van de Engelsen. Ook velen in de Vrijstaat waren niet voor een samengaan met de stamverwanten in het Noorden. De Vrijstaters waren meer georiënteerd op de Kaap en minder anti-Engels. Zij waren voor een deel niet afkerig van een soort federatie van staten in Zuid-Afrika. Deze houding kwam uit, toen Pretorius aftrad en men in de Vrijstaat een geletterde Kapenaar, Johannes Hendrikus Brand, tot president verkoos. Tijdens zijn bewind werd de eerste diamant gevonden en al spoedig bleek, dat het Westen van de Vrijstaat een menigte ‘blinkklippies’ bevatte. Dat wekte de begeerte der Engelsen op en naar een reden voor bezetting van het rijke gebied werd gezocht. Een Griqua-hoofd, Andries Waterboer, werd in de arm genomen. Deze beweerde, dat hij rechten had op de omstreken van Kimberly, en hij stond zijn rechten aan de Britse regering af. Natuurlijk was deze toen wel zo goed, het gebied te annexeren. In het Kaapse parlement werd heftig, ook door de Engelse leden, tegen dit onrecht geprotesteerd. Brand probeerde op vreedzame wijze rechtsherstel te verkrijgen, maar het baatte niet. Engeland weigerde in te gaan op zijn voorstel om een scheidsrechter, b.v. de koning van Nederland of de president van de Verenigde Staten, te benoemen. Daar Brand geen geweld kon en wilde gebruiken, moest hij het bij een protest laten. Een gerechtshof te Kaapstad stelde hem in het gelijk (!) en tenslotte heeft Engeland toen zijn ongelijk bekend en het geroofde gebied teruggegeven? Neen, het scheepte Brand af met 90.000 pond sterling. ‘De uitvoer van diamanten bereikte toen reeds 's jaars 35-maal de als schadeloosstelling uitgekeerde som.’

Ook in Transvaal maakte Engeland aanspraak op de diamantvelden, die aan de Vrijstaat grensden. Pretorius stemde toe in een scheidsgerecht en dit kende het gebied toe aan Engeland.

‘Sonder 'n enkele goeie kaart in sy hand het Arnot (de man, die voor Waterboer opkwam) die hele pot gewen. Hy en sy vriende het lekker in hulle vuis gelag, en as die saak nie so 'n ernstige kant had nie, kon die Keate-uitspraak as 'n kolossale grap opgevat geword het.’ (Prof. Gie)

Pretorius bleek niet opgewassen tegen de knappe advocaten van de tegenpartij. De Volksraad verwierp de overeenkomst en daar het betwiste gebied minder opleverde dan de Kimberleyvelden en Engeland op dat ogenblik geen oorlog wenste, bleef voorlopig alles bij het oude. Straks zouden de imperialisten niet alleen dat diamantgebied bezetten, maar heel Transvaal. Tot zolang hadden ze wel geduld. Pretorius had zijn prestige bij de Boeren verspeeld en ging heen.

Een dominee wordt president.

Was Pretorius een ontwikkeld man geweest, hij had zich zo niet door de Engelse advocaten in de luren laten leggen, zo redeneerden de Boeren en zij besloten daarom niet weer ‘'n dom boer te kies’, maar een geleerd man. Brand werd aangezocht, maar bedankte voor de eer. Toen viel de keus op Ds. Burgers, predikant te Hannover in de Kaapkolonie, die met zijn gemeente en de synode moeilijkheden had vanwege zijn vrijzinnige leerstellingen. Het verbaast ons, hoe de Calvinisten over de Vaal hem konden kiezen, maar zij namen zijn gebrek aan orthodoxie voor lief en Burgers aanvaardde in 1872 het bewind.

Al spoedig bleek het geen gelukkige keus. Doppers als Kruger konden niet samenwerken met de moderne dominee en Oom Paul legde zelfs zijn functie van commandant-generaal neer. Hij wenste niet uit te trekken met een ‘ongelovige’ president.

Burgers had grote plannen. Hij reisde naar Europa en bracht tal van helpers, vooral Nederlanders, mee, die hem behulpzaam zouden zijn om de staat te moderniseren. Hij sloot leningen in Europa om een spoorweg aan te leggen naar de Delagoabaai. Het onderwijs zou worden hervormd, kortom, Burgers zou orde en tucht brengen. Maar het enthousiasme van de Boeren voor hun geleerde president bekoelde en zijn financiële maatregelen werkten daartoe ook niet weinig mee. Een oorlog tegen de Kaffers liep op een mislukking uit, toen Kruger niet meeging. Voor Engeland scheen dus de tijd rijp om in te grijpen. Men schakelde weer Kafferstammen in, die de regering van Hare Majesteit om hulp smeekten, en een aantal Engelsgezinde bewoners van Transvaal schilderden de toestanden in de republiek zodanig af, dat er wel ingegrepen moest worden. Verreweg de grote meerderheid der bevolking wenste dat, zo heette het in het Britse propagandamateriaal.
De annexatie.

In het begin van 1877 verscheen Shepstone, de goeverneur van Natal, met 25 man politietroepen te Pretoria, om zogenaamd behulpzaam te zijn bij de regeling van allerlei moeilijkheden. Eenmaal goed en wel in de hoofdstad, proclameerde hij de annexatie van Transvaal. Burgers liet het bij een protest en ging naar de Kaapkolonie terug! Shepstone was menslievend. De handel was bijna geheel vernietigd, het land verkeerde in een staat van insolventie, de blanke bevolking was ontevreden met hun staat en in partijen verdeeld, de regering machteloos, zo verklaarde hij. Buitendien bedreigden talloze naturellen, misschien wel 1½ millioen, de arme bevolking ‘en de verwoesting van een naburige, vriendelijke staat door oorlogszuchtige wilde stammen kan niet voor een ogenblik door Harer Majesteits Regering zonder de ernstigste en pijnlijkste bekommering overdacht worden’. Jammer, dat ook als argument werd aangevoerd door de negrofilen: de bescherming van de arme Kafferstammen tegen de blanken! Hoe dit te rijmen was, daar konden de ‘domme Boeren’ niet bij.

Ze stelden de erbarming ook niet erg op prijs. Een deputatie, bestaande uit de heren Kruger en Jorissen, ging naar Londen, om de Engelse minister Carnavon te verzoeken, de stap van Shepstone ongedaan te maken. Zij kregen nul op het request. De minister was goed ingelicht. De grote massa was immers voor annexatie. Kruger vertegenwoordigde slechts een aantal malcontenten. Nu wensten de Boeren een volksstemming, maar de Engelsen voelden daar natuurlijk niet voor. Ze hielden er zelf een en het resultaat was, dat ruim 6500 personen zich tegen en nog geen 600 zich vóór de annexatie verklaarden. Weer een deputatie naar Londen, om dit resultaat bekend te maken, maar andermaal werden de heren (deze keer Kruger en Joubert) afgewezen. Nog hoopten de Boeren op een vreedzame oplossing. De verkiezing in Engeland was op handen en de liberale leider Gladstone had in zijn verkiezingsspeeches de daad van de conservatieve regering ten zeerste gelaakt. IJdele hoop! Wel zegevierden de liberalen en werd Gladstone minister-president, maar hij seinde, dat de annexatie niet ongedaan gemaakt kon worden. Hij accepteerde deze als fait accompli. Een motie van één zijner medestanders in het Lagerhuis, die voorstelde het onrecht weer goed te maken, werd verworpen. Er bleef maar één weg over: die van het gewapend verzet tegen de overweldiger. Drie jaar lang hadden de Boeren geprobeerd langs vreedzame weg de onafhankelijkheid terug te krijgen, maar Engeland liet niet weer los, wat het op onrechtmatige wijze had verkregen. Wat zei Froude, de Engelse historicus, ook weer? ‘Wij vergeven nooit degenen, die wij onrecht gedaan hebben.’

Paardekraal.

Op 11 november 1880 openbaarde zich het eerste verzet. Bezuidenhout wenste alleen belasting te betalen, wanneer op zijn kwitantie vermeld werd, dat hij het gedaan had onder protest. De landdrost liet zijn ossenwagen in beslag nemen en deze zou te Potchefstroom worden verkocht. Maar Piet Cronjé en zijn vrienden zorgden dat de baljuw, die op de wagen was geklommen, op de vlugste maar niet op de zachtste wijze weer op de begane grond terecht kwam. Dit was het sein. Ruim een maand later vergaderden duizenden Boeren te Paardekraal, hoewel de ‘regering’ het bijwonen van deze bijeenkomst als rebellie had gebrandmerkt. Deze volksvergadering herstelde de republiek en stelde een driemanschap aan het hoofd: Kruger, Pretorius en Joubert. Daar Pretoria door de Engelsen was bezet, vestigde de wettige regering zich te Heidelberg en op Dingaansdag werd daar de Transvaalse vlag gehesen.

‘Die vierkleur waai weer oor Transvaal...’

De vrijheidsoorlog.

De Engelsen lachten om het verzet. Had niet Shepstone met slechts 25 man Transvaal geannexeerd? Enkele honderden zouden nu voldoende zijn om het verzet te breken. Maar het viel niet mee. De Engelse garnizoenen in Transvaal werden ingesloten. Een afdeling Britten van 250 man kwam uit Lijdenburg om Pretoria te ontzetten, maar werd onderweg door Joubert verslagen en tot overgave gedwongen.

In Natal rukte generaal Colley op met 1400 man. Hij minachte de armzalige Boeren, die maar 15 patronen de man hadden. Maar die minachting veranderde in bewondering, die hij ook eerlijk uitsprak, toen zijn weluitgeruste troepen door 350 Boeren bij Langnek werden teruggeslagen. De versterkingen, die Colley vanuit Pietermaritzburg werden toegezonden, moesten het afleggen tegen vechtgeneraal Smit. Zij verloren 5 officieren en 61 soldaten, terwijl het aantal gewonden 139 man bedroeg. Aan de kant van de Boeren waren 8 doden.
Majoeba.

Intussen scheen het mogelijk, dat Engeland zou toegeven. Brand had moeite zijn Vrijstaters in bedwang te houden, in de Kaapkolonie was elke Afrikaander en menig Engelsman diep verontwaardigd. In verschillende Europese staten klonken heftige protesten en zelfs in Engeland waren velen, die vroegen, ‘waarom Engeland dan toch de Boeren door grof geschut en op de punt van de bajonet wilde overreden, om Britse onderdanen te worden?’ Reeds werden door beide partijen onderhandelingen over een wapenstilstand gevoerd, toen Colley plotseling in de nacht van 26 op 27 februari 1881 de Majoebatop bezette, die de weg naar Transvaal beheerste. Hij kon het niet verdragen, dat er vrede zou komen zonder enig succes van Engelse zijde. Voor de Boeren was deze coup een verrassing. Zij hadden aan geen vechten meer gedacht. Maar er was geen tijd om zich zelf te verwijten, dat men te onachtzaam was geweest. ‘De Engelsen zijn op de Kop en jullie moet hen daar gaan afhalen’, was Jouberts laconiek bevel. Slechts 150 man waren voor deze onderneming beschikbaar en Colley had boven op de top reeds 600 man. Johannes Roos en Joachim Ferreira aarzelden echter niet en bestormden de berg. En zij kwamen boven. De bezetting vluchtte voor het nimmer falend geweervuur van de bestormers met achterlating van 90 doden en meer dan honderd gewonden. Onder de gesneuvelden was ook Colley...

‘Heel de wereld deelde in het geval. De versmade Boeren waren met één slag vrijheidshelden geworden. Engeland was stomverbaasd. De eerste aandrift was, onmiddellijk een zó sterke macht naar Zuid-Afrika te zenden, dat de Boeren moesten worden verplet, maar Gladstone's geweten bood weerstand.’ (Prof Colenbrander)

De vrede.

President Brand bood zijn bemiddeling aan en zo kon 6 maart 1881 een wapenstilstand gesloten worden, waarna de onderhandelingen van het Driemanschap met de Engelsen konden aanvangen. Op 3 augustus werd de conventie te Pretoria getekend. De Boeren verkregen niet volledig rechtsherstel. Zij moesten de soevereiniteit van de Britse kroon erkennen. Een Britse resident zou te Pretoria zetelen en op verschillende handelingen van de regering toezien. Alle onderhandelingen met vreemde mogendheden mochten slechts door bemiddeling van de Britse regering geschieden. De Volksraad aanvaardde onder protest deze conventie. Kruger maande tot toegeven. Hij zou na de ratificatie zo spoedig mogelijk pogingen in het werk stellen de nog bestaande grieven met de Britse regering te bespreken.

In 1883 werd het Driemanschap ontbonden en Kruger werd tot president gekozen. Zijn tegencandidaat was Joubert, de legercommandant. Ook bij de volgende verkiezingen stonden beide leiders steeds tegenover elkaar, maar Oom Paul is president gebleven tot het ogenblik dat de vierkleur opnieuw werd ingehaald. In 1884 maakte hij een reis naar Europa en bezocht de Engelse minister Derby. Inderdaad werd toen een nieuwe conventie getekend, waarbij op één punt na de algehele onafhankelijkheid aan de Z.A. Republiek werd teruggegeven. Dat ene punt was, dat zij met geen enkele staat, uitgezonderd de Vrijstaat, een verdrag mocht sluiten, zonder goedkeuring van de Engelse regering; hetzelfde gold van overeenkomsten met de stammen ten Oosten en Westen van de republiek. Het was net op tijd. Het volgende jaar kwamen de conservatieven weer aan het bewind, die minder toeschietelijk waren dan Gladstone en zijn partij.

Kruger maakte na afloop van de conferentie een reis door Europa en werd overal met groot enthousiasme begroet. ‘As 'n gelyke het hy met vorste en wêreldberoemde staatsmanne verkeer, want ook hy was 'n leier by die grasie van God en hy was groot genoeg om onder al die nuwe invloede en eerbewyse, soos 'n massiewe toring op 'n rots in moederaarde se skoot gegrondves, onwankelbaar te staan. Hy het innerlik onveranderd gebly, die Voortrekkerseun, wat soos koning Dawid in sy jeug sy vader se skape opgepas het, met 'n eenvoudige, kragtige lewensbeskouing en met 'n onwrikbare geloof in die Bybel en die leer wat Calvyn daaruit opgebou het, maar daar het ook trots uit sy oë gefonkel, trots op sy herkoms en volk, en nooit het hy afgewyk van sy groot lewensideaal, nl. om in 'n vrye republiek die tradisies, godsdiens en karakter van die Voortrekkers te handhaaf nie.’ (Prof. Gie)

De insluiting.

Na 1885 breekt een nieuwe periode van imperialisme aan. De mogendheden in Europa beginnen de wedloop om de bezetting van de witte gedeelten op de kaart van Afrika. De Duitsers vestigen zich in Zuidwest-Afrika en het ‘gevaar’ is niet denkbeeldig, dat de Boerenrepublieken met deze kolonie in contact zullen treden. Daarom wordt Beetsjoeanaland ten Westen van Transvaal bezet. De kust tussen Natal en Portugees Oost-Afrika wordt eveneens bezet, zodat Transvaal geen uitweg heeft dan naar het Noorden en de Portugese koloniën. Maar ook in het Noorden werd de Z.A. Republiek ingesloten. De man, die dat deed, was Cecil Rhodes. Een jonge, zwakke emigrant kwam in 1870 in Natal aan. Hij begon er te boeren, maar zijn onderneming mislukte. Dan maar naar de diamantvelden. Daar bracht hij het tot grote rijkdom, maar geld was bij hem geen doel maar middel. Tussen zijn werkzaamheden in studeert hij te Oxford. Men ziet hem op een ossenwagen, lezend in een Grieks of Latijns boek. Soms leest hij niet. Dan droomt hij. Hij ziet de Britse vlag wapperen op Kreta, Cyprus, in Palestina, Oost-Indië, Zuid-Amerika en geheel Afrika. Dan zal de hereniging met de Verenigde Staten komen en de periode van de wereldvrede breekt aan.

Hij is het, die er voortdurend op aandringt, dat het gebied ten Westen van Transvaal moet worden geannexeerd, het ‘zendelingenpad’, het Suez-kanaal van Zuid-Afrika, ‘de nek van de bottel’, en hij heeft succes, al is hij het met de uitvoering niet eens.

Hij maakt zich bemind bij de Afrikaners in de Kaapkolonie, respecteert hen en ijvert voor samengaan van Boer en Brit. Heel Zuid-Afrika verenigd tot een zelfstandig gemenebest, is zijn leus, maar ... onder Britse vlag.

Hij sticht de Chartered Company en deze bezet Rhodesia, het land ten Noorden van Transvaal. Hij wordt eerste minister van de Kaapkolonie, hij amalgameert alle diamantmaatschappijen. Ja, wat doet hij niet?
Het goud.

Toen kwam de ontdekking van de rijke goudlagen aan Witwatersrand. In enkele jaren verrijst Johannesburg en uit alle landen stromen de delvers toe. De Zuid-Afrikaanse Republiek is plotseling rijk geworden, maar de moeilijkheden komen ook. Het grote probleem is, dat deze staat, cultureel staande op oudtestamentische grondslag, economisch verkerend in de periode van jacht en veehouderij, plotseling voor het moderne Johannesburg in zijn staatkundig, cultureel en economisch leven een plaats moet weten te vinden. Binnen enkele jaren leeft meer dan de helft van de bevolking van mijnbouw en industrie.

En begerige ogen worden geslagen op het rijke gebied. Er is nu geen voorwendsel te vinden als met de diamantvelden. En Paul Kruger zou zich ook niet door handige advocaten er tussen laten nemen. Hij heeft trouwens flinke raadgevers. Dr. Leyds uit Nederland is zijn staatssecretaris, om maar een van zijn bekwaamste helpers te noemen.

De ‘uitlanderkwestie’ komt op. De regering van de republiek is maar niet van zins om elke avonturier het kiesrecht te geven. De termijn van ingezetenschap wordt daarom belangrijk verhoogd. Maar de Engelse bewoners van Johannesburg beschouwen dat als onderdrukking en Rhodes speelt met hen onder één hoedje. Er zijn kwesties over de tarieven, er is een spoorwegstrijd. Kruger heeft de lijn van Pretoria naar de Delagoabaai laten aanleggen en de spoorwegmaatschappijen in het Zuiden binden een hevige strijd met zijn schepping aan.

De ‘raid’.

Dan komt de uitbarsting. Dr. Jameson, de rechterhand van Rhodes, rukt plotseling de republiek binnen vanuit Rhodesia, om de verdrukte ‘uitlanders’ te helpen en ‘vrouwen en kinderen’ te beschermen. Tegelijk zal de stad Johannesburg in opstand komen. Maar als het er op aankomt, aarzelen de geldmagnaten in Johannesburg en Kruger roept zijn getrouwen op. Voordat Jameson de stad heeft bereikt, wordt hij bij Doringkop door de Boeren totaal verslagen en gevangen genomen. De strooptocht is mislukt. Johannesburg moet bukken.

Het was een lelijke streep door de rekening van Rhodes. Met één slag was hij het vertrouwen van de Afrikaanse bevolking in de Kaapkolonie kwijt. Hij moest aftreden als eerste minister. De gevangenen werden aan de Engelse regering uitgeleverd ter bestraffing en een parlementaire commissie onder leiding van de minister van koloniën, Chamberlain, zou een onderzoek instellen. Deze was notabene zelf vooraf op de hoogte gesteld van de plannen! De straffen waren dan ook heel mild. En de Engelse publieke opinie wist niet beter te doen, dan te fulmineren tegen keizer Wilhelm II, die Kruger een gelukstelegram zond.
De oorlog opgedrongen.

Maar de Engelse imperialisten lieten het er niet bij zitten. Ging het niet met een coup, dan maar door een officiële oorlog. De ‘uitlanderkwestie’ werd aangegrepen om de spanning te verergeren. Kruger was toegevend. Hij kortte de periode, nodig voor de verkrijging van het kiesrecht van 14 tot 9 jaar in en deed de toezegging, dat er in de toekomst nog meer wensen zouden worden vervuld. Maar ruim 20.000 Engelsen in de republiek smeekten H.M. om bescherming. Een nog groter getal ‘uitlanders’ betuigde de regering van Kruger trouw!

Nog had een samenkomst tussen de hoge commissaris voor Zuid-Afrika, Milner, en Kruger plaats. De laatste beloofde hier, de ‘kiesrechtperiode’ tot 7 jaar te zullen terugbrengen. Milner eiste 5 jaar. En daar bleef het niet bij. De Engelse regering moest de nieuwe kieswet goedkeuren, iets wat volkomen in strijd was met de conventie van 1884. Nog gaven de Boeren toe. Het zou 5 jaar worden, mits Chamberlain zou erkennen, dat Engeland in 1884 afstand gedaan had van zijn recht tot ingrijpen in binnenlandse zaken. Het werd geweigerd. Steeds dreigender werd de toestand. Voortdurend kwamen nieuwe Britse troepen aan, die naar de grenzen van de beide republieken werden gezonden. Want als er oorlog kwam, deed ook de Vrijstaat mee. Men begreep daar terecht, dat de val van de zuster-republiek ook de eigen ondergang zou zijn. Kruger en Steyn sloten een verbond.

Nog duurden de onderhandelingen voort, maar Engeland antwoordde al maar ontwijkend. De troepen waren nog gedeeltelijk onderweg. Nu begrepen de Boeren, dat tot hun ondergang besloten was en zij stelden een ultimatum. De Britse legers aan de grens zouden moeten worden teruggetrokken. Het antwoord luidde, dat deze eisen zelfs niet zouden worden overwogen. De oorlog was uitgebroken... (11 oktober 1899)

Het begin.

Geen deskundige oordeelde, dat de Boeren het lang zouden uithouden. Hun legermacht bestond uit enkele tienduizenden mannen, de Engelsen beschikten over 100.000 soldaten, straks over een ¼ miljoen. De Boeren hadden weinig artillerie en waren voor de voorziening van ammunitie grotendeels van buit afhankelijk. De Britten hadden alles in overvloed. Toch was in het begin het succes aan de zijde der Boeren. Zij vielen de Kaapkolonie en Natal binnen. Ladysmith, Mafeking en Kimberley werden belegerd. De legers, die tot ontzet kwamen opdagen, werden vernietigend geslagen. Wie herinnert zich niet de namen Colenso, Spionkop, Magerfontein, de Modderrivier, de Stormbergen? Maar in het belegeren waren de Boeren geen matadors. Hadden zij de drie genoemde plaatsen door een kleine afdeling laten observeren, dan had eerst de hoofdmacht een beslissende veldtocht in de Kaapkolonie kunnen houden. Nu kreeg Engeland de gelegenheid uit de koloniën en uit het eigen land een keur van troepen te zenden. Het prestige stond op het spel. Tegelijk werden de bekwaamste aanvoerders er op af gestuurd, Kitchener, de man van Egypte en de Soedan, Lord Roberts, die zijn sporen in Afghanistan had verdiend.

Het volgende jaar bracht de ommekeer. Cronjé moest met 3700 man bij Paardeberg capituleren en Bloemfontein en Pretoria vielen in handen van de overweldiger. Kruger verliet zijn land op de ‘Gelderland’, daartoe door onze Koningin gezonden. Zijn poging in Europa hulp te vinden, mislukte. Geen der grote mogendheden waagde het Engeland de voet dwars te zetten. Er waren te veel onderlinge veten. Wel stroomden vrijwilligers uit alle delen der wereld binnen en werden overal collecten gehouden voor de Boeren, maar die hulp en verder sentimentele bewondering waren niet voldoende.

De guerrilla.

Roberts dacht, dat de oorlog beslist was, en vertrok. Kitchener zou het werk even voltooien. Maar nu begon het pas. De kleine commando's onder De Wet, De la Rey, Hertzog, Smuts en anderen hielden het nog bijna twee jaar uit. Botha had de opperleiding. Telkens doken de benden op, vernielden een spoorlijn, vermeesterden een konvooi of versloegen een vijandelijk korps, dat de verbindingslijnen moest bewaken. En de Engelsen konden die kleine afdelingen niet te pakken krijgen. ‘Honderdduizenden van de vijand worden door hen buiten adem gehouden.’

Doch dan heeft Kitchener een ander middel. De boerderijen worden stelselmatig verwoest, om op die wijze de vijand met verhongering te bedreigen. Vrouwen en kinderen gaan naar de concentratiekampen en daar sterven er 27.000! Totius heeft ze bezongen in zijn bundel ‘Bij die monument’. Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn. Diep roerend is het tweegesprek tussen moeder en kind:

In die kamp


Als zich hunne ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.
Klaagl. 2:12

Mijn moeder, mijn moeder, ik het tog so honger;
ag, gee mij tog gou-gou 'n klein stukkie brood!
Mijn kindjie, jou moeder die weet jij het honger,
dog kom maar en klim eers op moeder haar skoot.

Mijn moeder, ag help mij, ik kan nie meer loop nie,
ik voel tog so moede: mijn honger is groot.
Mijn kindjie, jou moeder die weet dat jij moeg is,
maar slaap breng versterking op moeder haar skoot.

Maar, moeder, hoe ween jij en snik jij so baing?
en waarom is moeder haar oge so rood?
Mijn kind, dit is trane wat jij nie verstaan nie;
kom, slaap maar gerus op jou moeder haar skoot.

Mijn moeder, ik kan nie, ik het tog so honger,
geef eers aan jou kindjie 'n klein stukkie brood.
Ag, liefste, rus eers in jou moeder haar arme,
en als jij ontwaak help die Heer uit die nood.

Ik kan nie meer wag nie van honger, mijn moeder;
maar waarom tog so? Het die Heer ons verstoot?
Nee, liefste, verstoot sal die Vader ons nimmer,
maar hier in die tent is geen krummeltjie brood.

Geen brood nie, mijn moeder! Ik kan nie meer langer
ag, moet ik verhonger op moeder haar skoot?
Nee, kindlief, die son is al amper weer onder,
en is dit weer awend, dan krij ons weer brood.

Haar kindjie slaap in bij die soete gedagte:
as ik weer ontwaak help die Heer uit die nood.
Die moeder ontvang met vermagerde hande
haar deeltjie oplaas - maar die kindjie was dood.

De vrede.

Tegen die methode konden de dappere Boeren niet op en zij besloten, de wapens neer te leggen. De 31ste mei 1902 werd de vrede van Vereniging getekend. Kitchener beloofde, dat Transvaal en de Vrijstaat zo spoedig mogelijk zelfbestuur zouden krijgen. En in dit opzicht heeft Engeland woord gehouden. Jaren waren echter nodig om de deerlijk geteisterde gebieden weer tot nieuwe bloei te brengen. Wel hadden de Engelsen financiële steun daarvoor beloofd, maar zelf hadden zij door de oorlog 250 miljoen pond sterling verloren. Was alles toch vergeefs geweest? Had Rhodes toch van Kruger gewonnen? Zij beiden beleefden de nieuwe tijd niet meer. Rhodes stierf nog tijdens de oorlog, Kruger vlak er na.

Rhodes' ideaal scheen verwezenlijkt: er kwam een groot Zuid-Afrika: Natal, de Kaapkolonie, Transvaal en de Vrijstaat verenigden zich in 1910 tot de Unie van Zuid-Afrika. Maar in deze Unie overweegt niet het Engelse element. De Afrikaanders zijn in de nieuwe eeuw zelfbewuster dan ooit.

De nieuwe tijd.

Cultureel brak er een nieuw tijdperk aan. Het Afrikaans werd in 1925 officiële taal (niet meer het Nederlands dus) en in 1933 kwam de Bijbel in het Afrikaans op de kansel, een vertaling, ontstaan door samenwerking van de drie kerkformaties. In 1937 kwamen de psalmen van Totius gereed. Het Afrikaans werd een cultuurtaal en tal van schrijvers, dichters en geleerden bedienen zich in deze tijd van hun moedertaal. Onder Britse vlag, zei Rhodes, maar al bleef de band met Engeland bestaan, in 1926 werd de Unie een zelfbesturend gewest met een eigen vlag, de oude Nederlandse kleuren. Het kreeg een buitenlandse vertegenwoordiging en zo zetelde naast de Britse gezant ook een Afrikaanse ambassadeur te 's-Gravenhage. In 1931 werd de zelfstandigheid formeel bevestigd bij het statuut van Westminster, waarbij ‘de oplossing van het ene koninkrijk in een, door een vrijwillige gehandhaafde rechtsband verenigde groep van zeven koninkrijken plaats had, die zowel onderling als tegenover de buitenwereld onafhankelijk zijn’. (Prof. Verzijl)

Niet, dat aller ideaal bereikt is. Ook in Zuid-Afrika ontstonden partijen, waarvan de ene verder wilde gaan dan de andere. Tegenover elkaar kwamen te staan de ‘Zappen’ (Zuid-Afrikaanse Partij) en de ‘Natten’ (Nationalisten) en groot waren de geschillen tussen Botha en Smuts ener- en mannen als Hertzog en Malan anderzijds. In 1934 kwam een vereniging tot stand, maar een deel der ‘Natten’ onder Malan bleef in oppositie en wilde niet rusten voor elke band met Brittannië was doorgesneden. In de eerste oorlogsmaanden van 1914 heeft deze tegenstelling tot een bloedig conflict geleid. De Wet, Fourie en andere oud-leiders wensten niet mee te doen aan de verovering van Duits Zuidwest-Afrika. Het verzet brak uit. De la Rey werd vermoord door een imperialist, Beyers verdronk, De Wet en Jopie Fourie raakten gevangen. Laatstgenoemde werd gefusilleerd.


Een blinddoek hulde de oogen hem.
Hij zat en zong met vaste stem:
Als wij de doodsvallei betreên,
Laat ons elke aardsche vriend alleen,
Maar Hij, die trouw is in den dood,
Verzelt ons over graf en dood.

Zijn laatste wens was:


.....................richt
die kogel niet op mijn gezicht,
Mijn Afrikaner hart is groot,
Daar's plek te over voor uw lood.
De Wet kreeg boete en gevangenisstraf, maar is later begenadigd.

De vrees, dat Zuid-Afrika spoedig verengelsen zou, is beschaamd. In drie van de vier staten, die bij de Unie waren aangesloten, is het Afrikaans de taal. In de Vrijstaat, Transvaal en het grootste deel van de Kaapkolonie spreekt meer dan 75% van de bevolking die taal, alleen in Natal is het Engels overwegend, evenals aan de oostkust van de Kaapkolonie, van Port Elizabeth tot de Natalse grens.

Dingaansdag 1938 is gevierd, 100 jaar na de slag aan de Bloedrivier, en toen stond daar een jong, krachtig volk, de nazaten van het geslacht van Pretorius en Potgieter, Cilliers en Retief, en zij konden zingen:


Op U almag vas vertrouwend
het ons vadere gebou;
skenk ook ons die krag, o Here,
om te handhaaf en te hou
dat die erwe van ons vaad're
vir ons kinders erwe bly:
knegte van die Allerhoogste,
teen die hele wêreld vry!
Soos ons vadere vertrou het,
leer ons ook vertrou, o Heer:
met ons land en met ons nasie
sal dit wèl wees! - God regeer!

De Republiek.

Tijdens de Tweede wereldoorlog heeft Zuid-Afrika meegestreden tegen Duitsland en was Kaapstad een belangrijke basis voor de geällieerde vloot. Toch waren er in die tijd wel pro-Duitse elementen. Hitlers rassenleer sprak een deel van de bevolking wel aan.

Na de oorlog won de gedachte van de uitroeping van de republiek steeds meer veld. Sedert 1948 zat de Nationale Partij vast in het zadel en zo kon minister-president Verwoerd op 5 oktober 1960 een referendum uitschrijven, waarbij de vraag aan de kiezers werd voorgelegd, of men zich al dan niet zou losmaken van Engeland. Ruim 850.000 stemmen waren voor het uitroepen van de republiek en ruim 774.000 voor handhaving van koningin Elizabeth als staatshoofd. Alleen de blanke bevolking mocht aan de stemming deelnemen. Wel besloot de Zuidafrikaanse regering zo mogelijk lid te blijven van het Britse Gemenebest. Ook Pakistan, India en Ghana was dit toegestaan. Op de gemenebestconferentie te Londen werd echter zoveel oppositie openbaar tegen bestendiging van het lidmaatschap, dat een beslissing zeer twijfelachtig werd. De pogingen tot een compromis van de eerste minister van Engeland, Macmillan, dreigden te mislukken en premier Verwoerd kondigde bij verrassing aan, dat hij het verzoek introk. Hij keerde naar zijn land terug, waar hij op uitbundige wijze door zijn aanhangers werd verwelkomd.

De 31ste mei 1961 werd de Unie van Zuid-Afrika plechtig tot republiek geproclameerd en goeverneur Swart als president beëdigd. Niet het ideaal van Rhodes maar dat van Kruger ging in vervulling.

De apartheid.

Het woord apartheid is over de hele wereld bekend en het is een zwaar geladen woord.

De eigenlijke architect van de huidige apartheidspolitiek in Zuid-Afrika is de eerste minister Verwoerd geweest. Hij wilde een aparte ontwikkeling en positie voor blanken, Aziaten, kleurlingen en zwarten. In 1959 werd op zijn voorstel de wet aangenomen, die zelfbestuur aan de Bantoes bedoelde in zeven aparte gebieden, Bantustans, allereerst de Transkei, die nu praktisch geheel onafhankelijk is (en begin 1978 zelfs de diplomatieke betrekkingen met de Republiek Zuid-Afrika heeft verbroken!).

De Nationalistische Partij wordt, sinds de dood van Verwoerd, die in 1966 werd vermoord, geleid door John Vorster, aanvankelijk in zijn opvattingen meer extreem dan Verwoerd en ook feller antiEngels (gedurende de tweede wereldoorlog stichtte hij de Ossewa-Brandwag, die zich verzette tegen deelneming van Zuid-Afrika aan de strijd tegen Hitler, waarom hij veertien maanden werd geïnterneerd).

Het is merkwaardig dat Vorster zulk een grote steun ontvangt bij de verkiezingen, niet alleen van hen die stammen uit de Boerenfamilies, maar ook van heel veel later geïmmigreerden, Engelsen, Duitsers, Belgen (uit de voormalige Kongo). En niet het minst van Nederlanders. Maar de kern van zijn aanhang wordt toch gevonden in de Nederduits Gereformeerde Kerk, waartoe hij zelf ook behoort. En dáár wordt ook getracht de apartheidspolitiek te rechtvaardigen op bijbelse gronden, in die zin, dat de verscheidenheid tussen volken en rassen wordt gezien als ontstaan uit de wil van de Schepper.

Intussen blijkt Vorster in de praktijk minder doctrinair dan zijn voorgangers. Verschillende maatregelen, die de apartheid tot gelding moesten brengen, verdwijnen. Vorster wil voor Zuid-West Afrika (Namibië) wel een regeling treffen met de Verenigde Naties en zoekt ook contacten met andere Afrikaanse staten. Maar veel levert dat niet op, want Zuid-Afrika is practisch het enige land dat de ganse wereld tegen zich heeft, met Nederland mee aan de spits, hoewel Nederland het enige land is dat sterke historische, culturele en geestelijke banden met Zuid-Afrika heeft.

Een veroordeling van de apartheidspolitiek op principiële gronden, die terecht is, betekent niet dat tegelijk een suggestie of een raad voorhanden is, hoe het vraagstuk in Zuid-Afrika moet worden opgelost.

In Angola woonden 900.000 Portugezen, niet als koloniale heersers, maar voor het overgrote deel als middenstanders in handel en ambacht. Zij zijn naar Portugal teruggekeerd, omdat in Angola geen plaats meer voor hen was. Angola is officieel onafhankelijk, maar in werkelijkheid wordt het regime op de been gehouden en geleid door Cuba, dat er een sterke militaire bezetting heeft. Er is een Cuba-crisis geweest, toen de Sowjet-Unie van dit communistisch geregeerde eiland een voorpost wilde maken voor de deur van de Verenigde Staten. President Kennedy heeft toen ingegrepen en met succes. Sedert is Cuba al meer geworden de gewapende hand waarmee de Sowjets hun positie in Afrika proberen te handhaven of te versterken.

Maar in Zuid-Afrika ligt het duidelijk anders dan in Angola. De blanke inwoners kunnen dat land met recht hun vaderland noemen, met minstens evenveel recht als de volken met een andere huidskleur. Zij hebben geen moederland waarop zij kunnen terugvallen, zoals de Portugezen in Angola en de Britten in een aantal Engelse kolonies in Afrika dat konden.

Er zou dus een oplossing moeten worden gevonden, waarbij in samenwerking tussen de verschillende volken in Zuid-Afrika en onder gemeenschappelijke verantwoordelijkheid de apartheid wordt overwonnen. Er zijn tendenzen merkbaar die in die richting wijzen. Maar aan de andere kant is er een verharding van standpunten, vooral naar buiten, in de confrontatie met hen die van elders komen met hun vermaan.

De tragiek van Zuid-Afrika is, dat enerzijds nergens ter wereld zó dringend een bevrijdende oplossing nodig is, anderzijds elke poging om naar zo'n oplossing te zoeken, zowel binnen als buiten Zuid-Afrika bij voorbaat als verdacht wordt beschouwd, met name bij hen die wel kritiek hebben, maar nooit aan een positieve bijdrage tot de discussie zijn toegekomen en zelfs geneigd zijn hen te veroordelen die hun best voor zulk een bijdrage willen doen.

Wie zich met geschiedenis bezig houdt, weet dat hij zich beter niet aan voorspellingen kan wagen. Dat is weggelegd voor dichters en profeten. Wel mag worden gezegd dat de strenge vorst aanhoudt, dat het ijs hard is en sterk, en - dat niemand er peil op kan trekken hoe onder die ijslaag de stroom verder gaat. Maar dat onttrekt ons niet aan die specifieke eigen verantwoordelijkheid, die wij als Nederlanders op grond van onze historische, culturele en vooral geestelijke verbondenheid, ten aanzien van Zuid-Afrika hebben. Integendeel, met name de Christenen in Nederland zullen er goed aan doen hun medebelijders in Zuid-Afrika in het gesprek te blijven betrekken, overal waar en voorzover dat mogelijk is.

Slotwoord

Zo hebben we dan iets mogen vertellen van de historie van ons land en volk en van gebieden en mensen, met wie Nederland nauwe betrekkingen heeft of heeft gehad.

Het was een lange weg van een paar duizend jaar voor Christus tot de twintigste eeuw na Christus.

Er was te verhalen van opgang en ondergang, we hebben mogen spreken van grote daden, van geloof, van glorie en uitredding, maar er zijn ook zwarte bladzijden in ‘'s lands historieblaân’, voorbeelden van ongeloof, onderdrukking, winstbejag, afval...

Ook onze geschiedenis echter mogen we zien in het licht van de eeuwigheid. God had met ons volk zijn bedoelingen.

Tielich zegt in ‘Ein Beitrag zur Sinndeutung der Geschichte’:

‘Christus is voor de hele geschiedenis van allesomvattende betekenis, van fundamenteel belang. Krachtens Zijn verzoening is geschiedenis mogelijk. De geschiedenis rust niet in zichzelf. Zij rust als menselijke - en dat wil voor ons zeggen zondige - geschiedenis in Gods verzoening door Jezus Christus. Deze verzoening is het dragende midden. Om derwille van de komende Christus heeft God in de oude bedeling, om der wille van de gekomen Christus in de nieuwe bedeling de wereld gespaard. Door de verzoening met Christus wordt de wereld bewaard voor de wederkomst en is er geschiedenis mogelijk. De onontwarbare kluwen, die menselijke geschiedenis heet, is de tijd en ruimte, die God uitspaart tussen de komst en wederkomst van Christus. Hij spaart tijd en ruimte uit voor de loop van Zijn Woord over de aarde en daarmee draagt Hij die aarde’.

Zo gezien, behoeven wij de toekomst niet te vrezen, want dan staat lichtend boven de geschiedenis van ons eigen leven en boven de historie van ons volk èn die van alle volken het ontzagwekkende woord, dat tegelijk zo troostvol is:


DE HEER REGEERT.