PDA

View Full Version : Woordenlijst van het Transvaalsch taaleigen



Die Ou Man
2nd January 2011, 22:25
Woordenlijst van het Transvaalsch taaleigen.


A

Aand of awend, avond: hy tel al aande syn geld. Een aand, op zekeren avond, gelijk in 't fr.: un soir. De laatste letters der buigingsuitgangen hechten zich vaak aan 't zelfst. naamw. B.v. Goei naand nou, myn kind. Nu, goeden avond, mijn kind. Van smorrens vroeg tot sawens laat. Van 's morgens vroeg tot's avonds laat. Van-naant, van avond.

Aans, aanstonds.

Aanteelbeeste of anteelbeeste, beesten om aan te telen.

Aapstert, knuppel, eind touw: di veldkornet laat hom een partij houwe met di aapstert toetel (tootellen).

Aasvo'el of aasvoel, aasvogel. Overdrachtelijk: schelm, vo'el of voel, vogel.
Aasvoolnes, vuilik.

Achterlosig, nalatig.

Afnooi, uitnoodigen om af te stijgen: Voor hy nog afklim, daar kom di ou vader al uit om hom af te nooi. Nooi, noodigen, uitnoodigen.

Agteros, achterste os van eene rij. Spreekwoord: 'n agteros kom oek in di kraal, de achterste os komt ook in den stal, langzaam gaat zeker.

Agterrijer, zekere rang in den krijgsdienst.

Ajas, kíndermeid.

Akkerdeer, accordeeren.

Albei - albei di sye, beide zijden. Di mes sny na albei kante.

Algar, allegaar, allen: Die besware word ver algar weggeneem.

Alleenig, alleen: hy jaag hulle om so te se alleenig agterna.

Allematje of allemensig, uitroepen van verwondering. Verminkingen van almachtig.

Allosie, horloge.

Almal, allen. Almal stap ons na die graf, Mense val nes (net als) blare af.
Altemit, misschien: altemit het hy dit van syn volk gehoor.

Amper of ampertjies, bijna: ek het my amper vaal geskrik; ek is amper skaam (ik schaam mij bijna) dat hulle myn nasi is; nauwelijks: Amper het hy gelees, of hy hoor iets.

And' = an di, aan de: and' slaap, in slaap. Waar twe and' veg is om een been, krijg dit lig 'n derde alleen.

Anhou win! aanhouden doet winnen.

Anrukken, presenteeren: en wat verder ten dage der verkooping zal angerukt worre.

Ansies, aanstonds: Wag Danie, ons kom daar ansies.

Anstootsteen ('n-), steen des aanstoots.

Anstotelik, aanstoot gevend.

Arie of arrie! eilieve!

Armstrong - 'n armstrong kanon?

Aspres, met opzet, moedwillig. Fr. expres.

Astrantigheid, onbeschaamdheid, vrijpostigheid.

Asseblief, als 't u blieft.


B

Baar, onbeschaafd: 'n baar Kaffer, een kaffer, die nog niet onder de beschaafden heeft geleefd.

Baars, ongeoefend.

Baas, - 'n ou baas, oude man.

Baasbakleier, vechtersbaas.

Baatje of batji, buis, mansrok zonder panden. Hy het hem op syn baatje gege, hij heeft hem slaag gegeven.

Babie of babetjie, klein kind. Eng. baby.

Baing of bajang, veel of zeer: Hy het ons baing vertel; baing oud.

Boeta of boetie, broertje (in de taal der kinderen).

Bog, bocht, slechte waar: 'n mooi klein meissie, mar 'n bog; Goi die bog goed mar op sȳ! Bog! praatjes, larie!

Bohaai - bohaai maak, drukte, getier maken.

Bokkie of brugge, eene soort van rijtuig. Eng. buggy.

Borshemp, overhemd.

Bottel, flesch. Eng. bottle.

Bra of braaf, erg: ek is braaf moeg, ik ben erg moede.

Braaibout, gebraden bout.

Brandarm, doodarm.

Brekvis, ontbijt. Eng. breakfast.

Buiteweste, verlegen: hy was buiteweste en verwese.

Bul, stier.

Bult, wal, hoogte.

Bultig, hobbelig, oneffen.

Bultzak, stroozak, matras.


C

Cab, vigilante. Eng. cab.

Cadux, ziekelijk.

Cantien, kroeg, herberg. 't Woord wordt ook kantien gespeld.


D

Daars, samentrekking van daar is. Das = dat is.

Dag - een dag, eens, op zekeren keer. Fr. Un jour.

Dagbreek, 't aanbreken van den dag, dageraad. Gevormd naar 't voorbeeld van 't Eng. day-break.

Dagga, tabak.

Dalk, misschien. Dalk gaat jou merrie win.

Dalk, dalik of dalkies, verhaal my dalkies van di vergadering, samengetrokken uit dadelijk.

Dam, vijver.

Damskraper, zeker boerengereedschap.

Dan - dan, nu eens, dan weder: Dan veg hy, dan preek hy, nu eens vocht hij, dan weder preekte hij.

Dan en wan, nu en dan.

Dandy, pronker, fat. Eng. dandy.

Danig, zeer, erg: hy is danig kwaai.

Dankie, dank je (u).

Deurenbank, door de bank, in den regel.

Diender, agent van politie.

Different, verschillend: di differente Takke van Bond en Vereeniging.

Diggers, delver, graver. Eng. digger.

Diggings, mijnen, goudvelden, Eng. digging.

Dik, dikwijls, druk: Sy gesels (praten) dik oer di perde; Jan kuier daar nou regte dik (zeer vaak).

Dis, samentrekking van dit is: Dis ni so ni, dit is niet zoo.

Dispens, provisiekamer.

Doekie ('n - om te bloei), een doekje voor 't bloeden, voor de leus.

Dojerig, als een doode, suf

Doktersgoed, geneesmiddelen.

Dolhuis, gekkenhuis.

Donkey, ezel. Eng. donkey.

Dooie lijk, lijk, dood lichaam.

Dop, glas, borrel: ek steek gen dop, ik drink geen borrel, geen sterken drank.

Dopsteker, drinkebroer.

Doringbome, doornstruik

Doutjie, regenbuitje.

Drankplaas, drankhu's, herberg.

Drei, dralen, uitstellen.

Dresse, kleedjes. Eng. dress.

Dressingtafels, toilettafels.

Dreun - kla dat dit so dreun, klagen dat het dreunt, klagen om 't hardst.

Drif, waadbare plaats, veer.

Dronklap, dronkaard.

Drossen, wegloopen.

Drossert, weggeloopen bediende.

Durabel, duur, kostbaar.

Dwarlwind, wervelwind.

Dwars, terugstootend, stroef: hy was te dwars (eigenzinnig), hy wou niks hoor ni.

Dwarskop, eigenzinnige, dwarsdrijver.


E

Een, wordt soms overtollig gebruikt b.v. die ander een, voor de andere.

Eendag, een maal, eens, gelijk in 't Fr. un jour. Ek sal tog eendag kyk. Ander dag, een ander maal: Ander dag sal ek weer ver jou skryf.

Eenders, hetzelfde, gelijk: dis eenders, dit is hetzelfde; eenders skrywe, gelijk schrijven.

Effens, even, nauwelijks.

Effentjies, eventjes.

Egaal, gelijk. Fr. égal.Einste, eigenste.

Eintlike, eigenlijke.

Eleksie, verkiezing. Fr. election.

Engineer, ingenieur. Eng. engineer.

Esel - van di esel op di os, van 't een op 't ander.


F

Fabont, vagebond.

Fair, nobel, billijk. Eng. fair.

Fessie, mode: Hulle begin hier oek al die Engelse fessie te volge.

Fewerwari, Februari.

Finaal, geheel en al, ten zeerste: ek ontken finaal.

Flenni, flanellen. Doet kokende water op 'n flenni lap.

Floreer, bloeien.

Fluks, vlug, flink: 'n flukse vent, een ferme vent; 'n flukse stap, een flinke stap; flukse rente, hooge rente.

Foeter, razen, tieren.


G

Galstig, rans, galsterig: galstig varkspek.

Gansegaar of gansgaar, geheel en al: Montreval was nou gansgaar mal. Hd. ganz und gar.

Gate, gat, hol? Di kaffer is nou vasgekeer in di gate.

Gawe, gaaf, goed: hij is anders 'n gawe kerel.

Gebuurte, buurt.

Gelling, gallon: 'n gelling brandewijn. Eng. gallon.

Genut, nut, gebruik: Dan het hulle tog die genut daarvan.

Gerw, garve: Koringgerwe, korengarve.

Gesels, gezelschap houden, praten:Een groot klomp (menigte) jongkerels sit op di kraalmure (stalmuur) en gesels dik oer di perde, wat in die kraal was.

Gewaar, ontwaren: Soos hulle gewaar dat ons daar is, begin party ver hulle te verweer (zich te verweren); Jull' sal dit self gewaar.

Glad, volstrekt: glad nie dom; dit beval hulle glad ni; Glad sonder geld of kos (eten).

Glad en al, geheel en al.

Gonne, uitroep van verwondering.

Gorrel, gorgelen.

Gou-gou, heel gauw: Jy moet gou-gou maak met di kos, want dis laat al. Ook andere woorden worden somtijds verdubbeld om de beteekenis te versterken.

Graaf, spade.

Greintje, spier, ziertje.

Grillerig, huiverig.

Grippie, greppel: slote en grippe (greppels).

Gristen, christen. Gristelik, christelijk.

Grypsuchtig, roofzuchtig, inhalig.

Gulskop, gulzigaard.


H

Haakdoring, haagdoorn.

Hake kurke, bij 't walletje langs: In R. gaat het nog mar so hake kurke.

Halfhard, niet heel hard of luid: hy roep halfhard.

Halfpad, halfweg, ten halve; ook bijna: ek word halfpad kwaad.

Hardkoppig, stijfhoofdig.

Harwar, verlegenheid: Nou dat England so in di harwar is met haar huiselike moeielikhede.

Heellig, wellicht. Lig, licht, gemakkelijk.

Heeltemaal, geheel en al.

Heelwat, vrij wat.

Heuning, honig.

Hiernatoe, hierheen: Toen is hulle na Holland gegaan, en daarvandaan of hiernatoe gekom.

Hoekom, waarom: hoekom was hull' toen stil?

Hoenderkop, aangestoken. dronken.

Hot en haar, rechts en links: Di mense word hot en haar gedagvaard; Eers twe tré hot, dan twe tré haar; kyk hot of kyk haar.

Hotvoor, rechts voor: Di vosbles, wat (die) hotvoor trek.

Hotkant, rechterkant.

Hotnot, Hottentot.

Huissou, huishouding.


I

Iwers, ergens.

Ijster, ijzer, ysterdak, ijzeren dak.

Impi, leger (Hottentotsch).

Iwerig, ijverig.


J

Jaart, Engelsche el, yard.

Jack en Jill, Jan en alleman.

Jammer - Ek is jammer, het spijt mij. Hy het jammer ver hom, hij heeft medelijden met hem.

Jan Boel, John Bull.

Jannewari, Januari.

Jekke - Engelsche jekke, Engelschen.

Jekkert, buis, jacket.

Jellop, galop.

Jil, spotten: As jy met myn wil jil, dan loop dit nooit goed af.

Jil, spot: Dis spot en jil en lag.

Jilletje, spotternij, grapje.

Jingoes, Engelschgezinde Afrikanen; Afrikanen met een ‘Jingo hart’.

Job, profijt, buitenkansje.

Jomp of jump, nemen, stelen: Jan Boel het di Transvaal gejomp; gejumpte skape en velle.

Juk, lengtemaat: Hij was so lang as 'n juk, dus 4 voet en 4 duim.

Juts, rechter.

Jutssitting, zitting van 't gerechtshof.


K

Kaal, onomwonden: om di ding mar kaal te sê (zeggen).

Kaart. kaart speel, kaartspelen.

Kamma, kwanswijs, voor de leus.

Kant - an kant maak, schoon maken.

Kantien, herberg, kroeg: kantienhou'er.

Kapater, geit; bok-kapater, bok.

Karkatjie, ontsteking aan het ooglid.

Karmenatjie, karbonade.

Karwyer, ambachtsman.

Kastig - kastige Engelsche broertjies.

Kats, een touw, waarmede men slaat.

Katswink, lam: ek slaat hom katswink.

Katel, wieg, ledikant.

Keil, hoed, steek: Syn keil, nog nuut (nieuw) en in syn fleur, Die is oek van syn bol ontroof.

Kekkelbek, babbelaarster.

Kere - te kere gaan, getier, alarm maken.

Kielhouwer, zeker boerengereedschap.

‘Kiep-kiep’ roep, ‘houdt den dief’ roepen. Eng. to keep.

Kirie, stok: een kirie met een gou knop.

Kleineeren, vernederen.

Kleins - van kleins af, van jongs af.

Klip, rots, steen: hy rol ni 'n klip in syn pat ni, hij legt hem geen stroo in den weg.

Klippie, steentje. Wit klippie, diamant.

Klomp, menigte, hoop: 'n klomp mense. Klompies klompies, eene groote menigte.

Klong, vent, kaffer.

Klosdrager: Rooibaaitjies en klosdragers, Engelsche soldaten en?

Kluitji, grap, leugentje: Jy vertel somar weer 'n kluitji.

Knikspore, greppel dwars over den weg.

Knippe, slot van een boek: Hy wil dit oopmaak, mar di knippe was stram.

Knopkirie, stok met een knop, knods.

Knoppies, nopjes: hy is in syn knoppies, in zijn nopjes.

Knors, knorrig.

Knukels - o'er die knukels haal, over den hekel halen.

Knyp - in di knyp raak, in de engte geraken, in de klem geraken.

Koelie, sjouwerman.

Koers - op koers syn, op streek zijn: Hans, wat (die) nou op koers was, lieg dat dit help (liegt of het gedrukt was).

Koggelstok, een stok, die tusschen een span paarden of ossen gebonden wordt.

Kol, bles (van paarden).

Kole - oer di kole haal, door de mosterd halen.

Koljander,

Kombers, wollen deken: Di kaffers stroom di dorp in om komberse en krale te koop.

Kombuis, keuken.

Komfyt, confituren.

Kompelmente, complimenten.

Kompetisi, concurrentie. Eng. competition.

Kompeney, compagnie.

Komsaars, commissaris.

Konsensi, concientie, geweten.

Konsent, toestemming: Hy wou graag di slag (dezen keer) met di konsent terug kom.

Konsep, concept.

Konseus of konsuins, voor de leus, kwanswijs.

Kontry, land, landstreek. Eng. country.

Kooigoed, beddegoed.

Kool - by myn kool, bij mijne ziel: by myn kool dis waar.

Kop, hoofd. Voor die kop goi, voor de voeten werpen. Hoofd luidt hoof, doch wordt zelden gebruikt.

Kopseer, hoofdpijn.

Koring, koren: koringgerwe; koringboer; koringmiet (mijt).

Korrek, verbeteren. Eng. to correct.

Kos, kost. Dit woord wordt ook voor het eten gebruikt: di kos is klaar; sorg dat die kos gaar is.

Kraak - steel dat dit so kraak, veel en grof stelen.

Kraal, omheinde of ommuurde plaats voor 't vee; groote stal. Kafferkraal, ‘aaneenschakeling van stroohuise, waar die kaffers in woon’.

Kreek, goudveld.

Krupsies, corrupties, verouderde lichaamskwalen.

Kuier, bezoek, reis: Di kuier van di gouwerneur sal uitgestel worde.

Kuier, een bezoek brengen: Jan kuier daar nou regte dik.

Kul, foppen, bedriegen: Di een mens kul di ander.

Kwarantien, quarantaine.

Kwartuur, kwartier.


L

Lakseer, eene zekere ziekte.

Laksman, scherprechter, beul.

Lammer, lammeren werpen: die skaap mot lammer.

Langes, langs: langes die rivier.

Lappe - op di lappe bring, ter tafel brengen.

Lat wordt somtijds voor dat gebruikt: Die mense dans, lat dit so gons, de menschen dansen, dat het dreunt.

Lekker, aangenaam: Die ‘Patriot’ is so lekker om te lees; aardig: Hy het hom lekker gefop; dronken.

Lepel, ophalen, oprakelen: enige ou (oude) afgesaagde pratjies op te lepel.

Liksens, licentie, verlof, vergunning.

Lis, les.

Loksai, omtrek, būitenwijk.

Lol, praten, keuvelen.

Luggewelf, hemelgewelf.

Luiters, leuk: hulle hou ver hulle dood luiters.

Lunsriem, soldaat.


M

Makeer, schelen: wat makeer jou? wat scheelt u?

Maklik, gemakkelijk.

Manager, geldschieter.

Manel, jas, mantel.

Mar, maar: Dit mag reg wees, mar is seker onbillik; nogal: Nou, 'n Franschman syn bloed is mar warm.

Masien, machine.

Maskie, misschien, hetzij: Maskie is dit sleg, Ons maak dit mos reg.

Mater, maat, kameraad.

Meerkol of see-kale, een soort van groente.

Meestergoed of doktersgoed, geneesmiddelen.

Memme, moeder.

Metjes, lucifers, ‘swawelhoutjies.’

Meul, molen.

Miet, mijt, hoop: Koring sny, Gerwe ry; Miet maak en dors.

Milies, maïs, Turksch koren.

Min, weinig: min geduld; zelden: In di kerk kom Oem Jan oek mar min.

Miskie of maskie, misschien, hetzij.

Misoes, mislukte oogst.
\
Mob, geld, moppen.

Moeg, moede.

Moer, Jan Rap en zijn maat.

Molasse, poel, moeras.

Molesteer, plagen, kwellen.

Mondig, meerderjarig, verstandig.

Morre, morgen: morre aand morgen avond.

Mos, immers: Dis mos ons Landdros, ne? Jy skryf mos net na hul verstand.


N

Na, na, naar.

Nagmaal, avondmaal.

Nakend, naakt.

Naturelle, inboorling.

Navry, Engelschgezinde?

Ne, neen, niet.

Nes, net als: Sit regop nes 'n paal.

Net, juist: Dis nou net die tijd; bloot: Dat was maar net 'n grap; zeer: Die ou baas is net kwaad. Meubels was oek net min (waren er zeer weinig).

Netnou: juist nu: Ma het netnou papier kom haal om te skrywe.

Netso, evenzoo: Di agente handel netso.

Netsoos, net zoo als, juist zoo als.

Nimmer myn, laat dat maar loopen. (Eene verminking van het Engelsche: never mind).

Niggie, nichtje; meisje: Die niggies (meisjes) van di buurt.

Nix, niets: dis nix as pure gekheid.

Nixnut, nietswaardige: soo'n swarte nixnut.

Noi of noin; meisje, juffrouw. Mv. noins, verkl. noitjie.

Nouw, nauw: een nouwe ontkoming, vertaling van het Engelsche: a narrow escape.

Nugter, niemand: dit weet nugter.

Nukkerig, nukkig, toornig.

Nuut, nieuw: splinternuut, splinternieuw; van nuuts af, van voren aan.

Nuw, nieuw.


O

Objeksi, tegenwerping, bezwaar.

Oes of oest, oogst.

Oes, oogsten.

Onderbatji of onderbaatje, vest.

One, men. Eng. one.

Onkeerbaar, niet te keeren.

Onthuis, onthutst, verlegen.

Ons, wij: Ons woon (wij wonen) op Afrikaanse strand.

Ontmaak, verwerpen, afkeuren: wette maak en ontmaak.

Onvertogen, onbetamelijk.

Oont, oven: Een vrouw hoort by haar oont en pot.

Oop of ope, open: 'n ope vraag, Onopgeloste vraag.

Oopplek, opene plek of plaats.

Oor of o'er, over: o'ergaande (overgankelijke) werkwoorde.

Oorlas, overlast.

Oorlosi, horloge.

Opdel, duw, slag of stoot.

Opdok, geld geven.

Opdres, opschikken: opgedres, opgeschikt.

Opstopper, duw, stoot: Willem kon hy gerus 'n opstopper gege hê.

Optel, oprapen, optillen: Is dit nou 'n steentjie, wat jy by di boskoppi opgetel het?

Orebietji, een zeker insect.

Orgelist, organist.

Orige, overige.

Ou, oude (man). Oubaas, oude man.\

Oulap, een penny: 'n Oulap bespaard is 'n onlap gewonne.

Oupapa, grootvader.


P

Paai, pad. Mv. paaie.

Paaiboeli of paiboeli, bullebak: 'n oude paaiboeli.

Pad - in di pad steek, op de vlucht drijven.

Pad - ‘harde pad,’ eene zekere straf: Hy is veroordeel tot twee jaar ‘harde pad.’

Pampier, papier.

Parra, padde, kikvorsch.

Party, sommige, vele: party woorde, mense, etc.

Partykeer, vaak, party (vele) keeren.

Pasent, patient, lijder.

Passeer, annemen van wetten, reglementen, etc.

Pat gé, wijken: Al wat voor is sal pat gé. Eng. to give way.

Patat, aardappel.

Patent, flink: 'n patente vrouw.

Pendok, hut.

Perbeer, probeeren, beproeven.

Persies, nauwlettend: 'n wakker en persies ou boer.

Paskewelle, paskwil.

Perske, perzik: perske sop, perziksap.

Picnie, maaltijd, waarbij elk iets medebrengt. Eng. picnic.

Pikken, hooivorken.

Plak, zetten; neerplak, necrzetten: net so as jy sal ver jou neerplak op een ander man syn plaas.

Plakkers, kolonisten, settlers.

Platform, terras. Eng. platform.

Plek, plaats, woonplaats: slaapplek, slaapplaats.

Pondok, hut van een kaffer.

Porsi, deel. Eng. portion.

Pos, op de post brengen: 'n brief gepos in 'n dorp of stad kos 1 d.

Pos Stamp, postzegel

Posorder neem, poolshoogte nemen?

Prakseer, peinzen, denken; Eindelik gaat hy op di kamer planne prakseer.

Praterig, praatachtig.

Put, leggen. Eng. to put.

Puur, zuiver: hy soek minstens 'n paar uur, mar puur verniet. Fr. pur.

Pyts, zweep.


R

Rappelkops, duizelig. Kop, hoofd.

Regte, zeer: regte goed, zeer goed; hy was regte skaam, hij schaamde zich zeer.

Regtig, waarlijk, waarachtig: Op di vraag, of hy regtig na England gaat, antwoord di smous ‘ja’.

Rekwisisie, request.

Renewer, ruïneeren.

Resie, wedren, harddraverij: En toen die pèrd die resies win, Toen staat hull' almal stom.

Resiepèrd, harddraver. Resiesbaan, rijbaan.

Risp, mv. rispes, rups.

Roer, geweer: Ons laai mar net ons lange roers, En skiet die swart goed (kaffers) weg.

Rooi, rood: di rooi taal, 't Engelsch.

Rooibaaitjies, roodrokken, Engelsche soldaten.

Rooibeet, beetwortel.

Rotting stoele, rieten stoelen.

Rou, rauw: 'n rou Hollander, een nieuw aangekomene Hollander
.
Ruk of rukkie, een korte tijd; poos: Dit duur nog 'n ruk. Ons sal nog een rukkie wag.


S

Saamdien, samenwerken.

Saf, zacht: Sy het twe ogies, bruin en saf.

Sambok of sjambok, karwats, zweep: samboksopie.

Sambreeltje, paraplu.

Saperment, sapperloot.

Saroet of seroet, een glas grog.

Seg, bij voorbeeld: die partye kan 'n gedeelte, seg (b.v.) 'n derde van die som afbetaal.

Sekuriteit, zekerheid.

Selwers, zelven: prijs of laak jou selwers niet.

Seneblare, senebladen.

Sessie, zitting. Eng. session.

Seur, mijnheer. Eng. sir.

Sinkispyne, zinkingspijn.

Sitiel, subtiel, fijn, teer.

Skaam, schaamachtig: Ek is skaam (ik schaam mij) om jou lastig te val.

Skaars, nauwelijk: Skaars was ek 18 jare oud, Toen vrij ek al na Sannie.

Skedule, cêel

Skindeer, schande aandoen, schenden.

Skorrie morrie, Jan Rap en zijn maat.

Skort, schut: afgeskort, afgeschut.

Skorting - Seg myn, wat di skorting is (wat er aan schort).

Skriftuurplase, bijbelplaatsen.

Skrobering, inzegging, berisping.

Skuld, verschuldigd zijn: ek skuld jou, ik ben u schuldig.

Skulpad, schildpad: Skulpad in di nood, vogel op di fees.

Skutkraal, schutstal.

Slag, keer, maal: Genoeg ver die slag (voor dezen keer).

Slak, eene zekere schapenziekte.

Slawe, sloeven, zwoegen: Om van die oggent vroeg tot sawons laat te slawe.

Smeerkanis, vuilik.

Smeerwaren, kruidenierswaren.

Snaaks, zonderling: 'n snaakse manier.

Snaaks, bedrog: Hy gé hom uit ver 'n Duitscher, mar dat is snaaks.

Snop, ploert. Eng. snob.

Soe! Tusschenwerpsel: Soe, myn tand is kwaad (doet zeer). Hulle het oek gemoor, soe!

Soebat, flikflooien, vleien: en perbeer om hom met mooipraat en soebat van syn plan terug te hou.

Soetolie, boomolie.

Somar, sommer of sommar, zoo maar, als van zelve, zonder veel omslag: Toen hy dit merk, verander hy somar van plan. Hy annexeer somar links en regs; 'n Mens die lag jou sommer slap.

Soos, samengetrokken uit so as = zoo als: so glad soos seep, zoo glad als zeep.

Sop, soep, sap.

Sopie, borrel: Een sopie maak hom net nou vrolik.

Sowat, zoo wat, ongeveer, omstreeks

Spaanschspek, meloen.

Spalk, zetten: Syn been te kom spalk, wat pas afgebroken is.

Span - die jong span, de jonge lui.

Spandeer, besteden.

Spat - die spat set, op den loop gaan; hy het gespat, hij is gevlucht.

Spek - ver spek en boontjies, voor weinig geld.

Spider, een soort van rijtuig.

Spiets, aanspraak, redevoering. Eng. Speech.

Splinternuut, splinternieuw.

Split, een glas sterke drank.

Spog, pochen, roemen: hy het gespog, dat hy kan Engels praat.

Spruit, rivier, stroom.

Spul, kliek, hoop.

Stadig, langzaam, loom: Haar man was arm en wonderlik stadig.

Stasi, station.

Stasimeester, stationschef.

Stemp of stamp, postzegel. Eng. stamp.

Steken - een dop steken, een borrel drinken.

Stevel of stewel, laars: die steweltjies (laarsjes) van Sannie.

Stoor, logement, kroeg.

Stop, wachten, eindigen: stop 'n bitji, wacht even; ik sal nou mar stop.

Stop, einde: dit sou 'n stop set (een einde maken) an al sulke oorlas (overlast).

Stori, vertelling. Eng. story.

Stuifertje - Die voor een stuifertje gebore is, breng het nie tot een dubbeltje nie.

Sukies, langzaam.

Supper, avondeten. Eng. supper.

swaar, - as imand swaar het (zwaarmoedig is).

Swareweer, onweer.


T

Tabbert, vrouwekleed. Tabbertjie, kleedje: Die vrous trek hulle tabbertjies van agter op.

Tamaai, groot.

Tamaties, eene soort van groente.

Tata, vader.

Tedanig, zeer veel.

Temteer, kastijden.

Tender, inschrijvingsbiljet.

Tender, een werk aannemen. Eng. tender.

Tier, zekere vogel.

Tijtje, poos, een korten tijd.

Tittel, titel.

Tjakkie tjakkie, beetje, weinigje.

Tjek, bon, assignatie. Eng. cheque.

Tockalosie, 'n dier nes 'n mens, met lang haar, drie voet lang, en loop op syn agterpote, di dier leef in di water.’

Togtgangers, reizigers.

Tol tol speel, tollen, met den tol spelen.

Toornaar, toovenaar, toorgoed, toovergoed.

Top, knop (van bloemen).

Top, den top afsnijden.

Triplaar, paard.

Tower, tooveren: towery.

Tronk, gevangenis, kot: 'n party is gepak en in 'n liederlike tronk gesmyt.

Tronklewe, gevangen leeuwen.

Trop, troep, menigte.

Troppe troppe, eene groote menigte.


U

Uiter, uiten: hy het dese woorde geuiter (geuit).

Uitbakly, uitvechten, door vechten beslissen.

Uitklappen, verklikken.

Uitpytsen, afrossen.


V

Vabond, vagebond.

Vandisi of vandusi, publieke verkooping.

Vanjaar, van dit jaar.

Vanselewe, vroeger, verleden.

Vark, varken.

Vaskeer, vastmaken, opsluiten.

Vasloop, er in loopen: Daarme het al baing mense ver hulle vasgeloop.

Veltkornetskap, wijk, afdeeling.

Ver, voor: Ver Moedertaal en Vaderland! tegen: Ik zeg ver hom (tegen hem), vêr, ver.

Verbrou, verbruid, bedorven.

Vererg, boos, toornig.

Vererg, boos maken: ons het ons vererg, wij hebben ons boos gemaakt.

Verfoes, verknoeien.

Verkleur, verkleuren, blozen: verkleurmannetje, iemand die spoedig bloost.

Verliefterig, verliefd.

Vernaam, voornamelijk.

Verniet, om niet, vergeefsch: al die moeite was verniet.

Verse, vaars, jonge koe.

Vet, dronken: Oom Japie was'n klein bietjie vet.

Vertoefkamer, wachtkamer.

Vervas, voor vast, voorzeker: hy het vervas nie lekker geslaap ni.

Verweel, fluweel.

Verwese, bleek, ontsteld.

Vir of ver, voor.

Viselike, vieze.

Vlei, vallei.

Voersies - tabbert van voersies.

Voolstruis, struisvogel.

Voorkis, bok (van een wagen).

Voorman, voorganger, meesterknecht. Eng. foreman.

Voortrekker, wegbereider.

Voorverlede week, de week voor verleden week.

Vrek, verrekken, sterven: Die schape vrek van dors; die vee vrek van armoede in die krale.

Vrektyd, tijd van sterfte onder 't vee.

Vrot, verrot

Vuurhek, vuurhaardje.

Vuurhoutjie, lucifer.

Vuurwa, vuurwagen, locomotief: Gé mar die vuurwa vinnig stoom!


W

Wa, wagen.

Wachten (te - wees), verwachten.

Warrant, volmacht. Eng. warrant.

Wat, die of dat (betr. vnw.): Neef Jan, wat versies maak; 'n werk, wat moeilik was.

Wat, waar: Die land wat ons op woon.

Watter, wat eene, wat voor eene: om watter rede; watter onrus en angs!

Watver, wat voor eene, welke.

Weekborders, ‘koskinders, die bij de week betalen’.

Werf, heem, hoeve.


Z

Zeerkeel (witte -), keelziekte.

Zwartbooi, kafferjongen. Zwartgoed, kaffers.

Uit Onze volkstaal (http://www.dbnl.org/tekst/beer004onze01_01/beer004onze01_01_0058.php).